50.000 stapelbedden: hier moeten Rohingya-vluchtelingen worden opgevangen

Eiland voor vluchtelingen Omdat de Rohingya voorlopig niet teruggaan naar Myanmar, wil buurland Bangladesh 100.000 van hen onderbrengen op een eiland. De vluchtelingen piekeren er niet over het overvolle kamp waar zij nu wonen te verlaten.

Na meer dan twee uur varen doemt uit zee een eiland op. Het is vlak, de begroeiing stelt weinig voor. Alleen wat lage groene bosjes en jonge bomen. Er is geen mens of dier te bekennen.

Of toch. Aan de zuidkant van het eiland houdt de Bengaalse marine de wacht. Er liggen twee grote schepen aangemeerd. In het water vlak voor de kust staan grote palen die de golven moeten breken.

Dit is Bhasan Char. Het betekent ‘drijvend eiland’ in het Bengaals. Het is pas een jaar of twintig geleden ontstaan, uit afzettingen van de zee in de ondiepe monding van de Golf van Bengalen. Aan wal liggen muurtjes van zandzakken. Met een stel hijskranen wordt aan een waterkeringsproject gebouwd.

Hier moeten binnenkort ongeveer 100.000 Rohingya-vluchtelingen een onderkomen krijgen. Die verhuizing moet verlichting bieden aan het grootste vluchtelingenkamp ter wereld in Cox’s Bazar, in het zuidoosten van Bangladesh aan de grens met Myanmar. In de zomer van 2017 vluchtten de Rohingya-moslims massaal hun dorpen uit, de grens over, na geweld en onderdrukking van het leger. Nu wonen ze met meer dan 900.000 mensen in Cox’s Bazar, in hutjes gebouwd van zeil en plastic.

Satellietbeeld van Bashan Char.
Photo Gallo Images/Orbital Horizon/Copernicus Sentinel Data 2019
Het kleine eiland Bhasan Char is twintig jaar geleden ontstaan.
Illustratie NRC
De ligging van Bhasan Char, nabij Bangladesh. Het eiland is twintig jaar geleden ontstaan.
Graphics Studio NRC, Foto Gallo Images

Op Bhasan Char zijn journalisten nog niet welkom en fotografen al helemaal niet. De bevelhebber van de marine, Abdullah Al Mamun Chowdhury, vertelt dat de premier van Bangladesh binnenkort het eiland officieel wil komen inaugureren. Eind februari, misschien wordt het maart. Dan mogen de media ook komen kijken. Dat de districtsbestuurder van onze komst wist, maakt hem niet uit. Orders zijn orders. „De minister-president wil het zo.”

Commandant Chowdhury kan natuurlijk wel even vertellen hoe trots hij is op wat zijn mensen hier in een jaar uit de grond hebben gestampt. Ze zijn nu voor 89 procent klaar met bouwen, schat hij. Hij blijkt een man van cijfers.

Schapen en koeien

Kom, als we in zijn jeep stappen, laat hij toch snel iets van het eiland zien. Hij trekt op en begint feitjes op te dreunen. Hier zie je moestuinen en rijstvelden. Nou ja, het is nu droogseizoen, de grond is dor. Maar de Rohingya kunnen hier zelf groente en rijst verbouwen als ze willen. Had hij al verteld dat ze schapen en koeien naar het eiland hebben gebracht, die de Rohingya als veestapel mogen houden? Het zijn 250 schapen en wel 8.000 koeien.

Kijk, deze dijk waar we overheen rijden is gebouwd door een Chinese firma, twaalf kilometer lang, bijna drie meter hoog. Dáár ligt nog een binnendijk van twee meter. En vergeet de waterkering die een Brits bedrijf heeft ontworpen niet. „Dit eiland is op precies dezelfde manier ontstaan als Hatiya, een uur varen verderop. De Bengalen die daar wonen, hebben dit soort dijken niet.”

Hij geeft gas. Hier beginnen de 120 woningblokken, met in totaal 1.440 woongebouwen. Kijk, dit is straat nummer 1. Rechte straten, rode golfplaten daken boven grijze stenen. In alle kamers, die zijn ongeveer 3,5 bij 4,5 meter, staan twee stapelbedden. „Dus dat zijn 50.000 stapelbedden!” Veel meer dan die bedden zal er ook niet in de kamers passen. Boven de deuren hangen bordjes: cluster 16, kamer L07. Per acht kamers is er een keuken en toiletblok. Maar hoeveel ruimte gezinnen precies zouden krijgen, is nog onduidelijk. De meeste Rohingya-gezinnen bestaan uit meer dan vier mensen.

Illustratie NRC
Illustratie NRC
De ontwerpen van de woonblokken voor de Rohingya. In totaal komen er 120 blokken, met in totaal 1.440 woongebouwen.
Graphics Reuters

Het contrast met de heuvels in Cox’s Bazar is groot. Daar staan de hutten kriskras door elkaar, de meeste alleen te bereiken over nauwe, steile paden. Bedden hebben de Rohingya niet, alleen gevlochten matjes. Maar ze wonen er nu al anderhalf jaar, dus het kamp heeft permanente trekjes gekregen. De grotere wegen zijn bestraat met klinkers. Over sommige hutjes groeien planten. Overal hoor je kinderstemmen – in een jaar tijd zijn hier naar schatting 10.000 baby’s geboren. Kraampjes aan de kant van de weg verkopen bloemkool, aubergine, gedroogde vis.

Op het eiland rijdt commandant Chowdhury alweer verder. Hier zie je één van de vier pakhuizen om eten in op te slaan. „Genoeg plek, genoeg plek.” Dáár staat een van de 120 noodgebouwen, die zijn om in te schuilen als er een cycloon of overstroming is. Elke toren biedt plaats aan duizend mensen. „Maar dit jaar hebben we niet eens één cycloon gehad. Echt, het is hier veilig wonen.”

Vertel dat aan de Rohingya. In de kampen in Cox’s Bazar overweegt voorlopig helemaal niemand om naar Bhasan Char te verhuizen. De meeste vluchtelingen kennen alleen geruchten over het eiland. Zoals Muhammad Siddik, een vriendelijke, bedaarde moslim van een jaar of vijftig. Hij komt uit Chut Pyin, één van de dorpen waar het leger vreselijk heeft huisgehouden. „Ik heb veel dode lichamen gezien.” Over Bhasan Char heeft hij alleen gehoord dat het vaak overstroomt, dat het niet veilig is. „Ik ben hierheen gekomen om mijn leven te redden. Dus als ik kan kiezen, blijf ik liever hier.”

Afzondering

Rohingya Abdul Hafez is beter op de hoogte. Hij weet te vertellen dat Yanghee Lee laatst Bhasan Char heeft bezocht. Zij is de speciale rapporteur van de Verenigde Naties over de mensenrechtenschendingen in Myanmar. Op een persconferentie naderhand sprak ze haar zorgen uit: vooral de geïsoleerde ligging van het eiland vindt ze een probleem. „Al helemaal in het geval van cyclonen of andere natuurrampen.”

Die afzondering is volgens Abdul Hafez precies de reden dat de Bengaalse overheid voor Bhasan Char als locatie heeft gekozen. „Zo willen ze ervoor zorgen dat we niet mengen met hun eigen bevolking.” Nu mogen de Rohingya hun kampen eigenlijk ook niet verlaten, het leger houdt controles aan de toegangswegen. Maar veel vluchtelingen, vooral de mannen, proberen toch om illegaal een baantje te vinden in de regio. Op een eiland kan dat niet.

Lees ook: de VN spreken van een ‘verloren generatie’ van Rohingya-kinderen

In zijn kamp kwamen de Bengaalse autoriteiten al een paar keer polsen of de Rohingya willen overwegen om te verhuizen, zegt Hafez. Ze beloven dat het er veilig is, dat er gezondheidszorg beschikbaar is en dat kinderen er naar school mogen. In Cox’s Bazar mag dat officieel niet, al organiseren hulporganisaties als Unicef wel dagbesteding voor de kinderen. Het zal wel, zegt Hafez, een school of ziekenhuis vindt hij niet zo belangrijk. „Wij willen veiligheid. Als daar een overstroming of aardbeving gebeurt, overleeft niemand dat.”

De Rohingya krijgen steun van mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch en Fortify Rights, een club die speciaal op Zuidoost-Azië is gericht. Ze zijn van begin af aan kritisch over Bhasan Char. Het is wishful thinking van de Bengaalse overheid, zegt Human Rights Watch, dat zo’n grote groep vluchtelingen geïsoleerd en afgezonderd kan worden. „De kans bestaat dat ze, eenmaal op dat eiland aangekomen, daar vast zitten en er niet meer af kunnen.” In Cox’s Bazar regelen hulporganisaties van alles voor de Rohingya. Of zij dat ook op Bhasan Char willen doen, is nog niet gezegd.

Het Unchiprang-kamp in Cox’s Bazar, gefilmd door correspondent Annemarie Kas. Tekst loopt door onder de video:

En het perspectief op terugkeer dan? Dat is er ook niet. VN-rapporteur Yanghee Lee concludeerde tijdens haar bezoek aan Bangladesh dat naar huis gaan voor de Rohingya voorlopig geen optie is. In de deelstaat Rakhine, waar ze vandaan komen, wordt de laatste tijd weer gevochten. Dit keer staan het leger en boeddhistische rebellen tegenover elkaar.

In november vorig jaar hebben Bangladesh en Myanmar geprobeerd om een groep van ongeveer 2.200 Rohingya te laten terugkeren. De twee landen maakten afspraken, maar de Rohingya vonden dat die geen zekerheid boden. Elke Rohingya kan je hun eisen voor terugkeer precies vertellen: de VN moeten toegang krijgen tot Rakhine, zodat ze zich veilig kunnen voelen om terug te gaan en het leger zich bekeken weet. En ze willen garanties over erkenning en burgerschap van Myanmar.

Dat was allemaal niet in de overeenkomst opgenomen. Dus de bussen die Bangladesh had geregeld voor die bewuste dag, 15 november, bleven leeg.

In blok A van het Unchiprang-kamp in Cox’s Bazar hangt een groepje mannen in een tent die is ingericht als winkeltje. Hier kauwen ze betelnoot en drinken ze oploskoffie of thee. Uit hun blok stonden twintig families op de terugkeerlijst. Geen idee hoe zijn gezin (hijzelf, zijn vrouw, vijf kinderen) daarop terecht was gekomen, zegt een man die liever zijn naam niet geeft. Juist omdat hij op die lijst stond, is hij voorzichtig. „Als we ooit teruggaan en ze komen erachter dat we met journalisten praten, vermoorden ze ons.”

Bekijk ook de video-explainer over de situatie van de Rohingya: Wat doe je als je eigen land je haat?

‘Ze kunnen me niet dwingen’

Op 15 november was hij gewoon in zijn tent gebleven. Bengaalse ambtenaren kwamen vragen of hij mee kwam. Nee, dat wilde hij niet – „dat recht heb ik, ze kunnen me niet dwingen” – dus dropen ze maar weer af. In die tijd gingen verhalen rond van Rohingya die in paniek de bossen in waren gevlucht. En in dit kamp zouden twee mannen die op de lijst stonden, een zelfmoordpoging hebben gedaan. De gedachte aan terugkeer was hen te veel.

Ook nu spreken de mannen makkelijk over zelfmoord. Hij heeft slechte dingen gehoord over Bhasan Char, zegt de man die op de terugkeerlijst stond, en hij is bang voor water. „Het ziet er niet goed uit. Misschien moeten we hier maar suïcide plegen.” Al ziet hij in dat Bangladesh de Rohingya tot nu toe nooit ergens toe gedwongen heeft, hij twijfelt of de verhuizing naar het eiland vrijwillig zou zijn. „Ik weet niet of we hen kunnen vertrouwen.”

Zo ligt Bhasan Char er nu bij, in afwachting van de nieuwe Rohingya-bewoners. Tekst loopt door onder de foto’s:

De Bengaalse autoriteiten hopen dat de Rohingya bijdraaien als ze het eiland eenmaal zelf hebben gezien. Natuurlijk gaan ze niemand dwingen, zegt Mohammad Abul Kalam, de commissaris die in Cox’s Bazar de leiding heeft over de kampen. „Maar de mogelijkheden om iets van een eigen bestaan op te bouwen, zijn daar beter. Ze kunnen gaan vissen en groente verbouwen.” Hun plan is om eerst de mahjis, dat zijn de lokale Rohingya-leiders, uit te nodigen om op het eiland te gaan kijken. Dan kunnen zij hun mensen overtuigen en kan misschien een kleine groep eerst gaan.

Marineman Chowdhury denkt er hetzelfde over. Laat ze nou eerst eens komen kijken, zegt hij. „Als ze dan komen, is het natuurlijk niet van één, twee, spring, met honderdduizend man tegelijk. We kunnen met één of twee gemeenschappen beginnen.” En als ze echt niet willen? Daar wil Chowdhury liever niet aan denken. Al dat werk en geld dat erin zit. „Misschien moeten we dan een andere bestemming voor het eiland vinden.”

Voor de Rohingya betekent Bhasan Char vooral: nog verder van huis raken. De rustige Mohammad Siddik, die verder maar weinig van de plannen weet, zegt het zo: „Het eiland is evengoed Bangladesh. Dus het maakt geen verschil. Het is geen Myanmar, het is niet ons land.”