In de trein ben ik zo’n beetje de enige normale

Treinreizen Hoe is het om elke dag weer met dezelfde trein te reizen? Alleen een psychopaat zit te wachten op een stuk over eindeloze vertragingen, denkt .

Illustratie Jet Peters

Het was geen goed voornemen. En behoefte aan nieuwe inzichten had ik ook al niet. Het kwam doordat ze vroeg of ik niet weer eens een leuk stukje wilde schrijven. Daarna ging alles eigenlijk vanzelf. Een stuk over reizen moest het worden. Met de trein, om precies te zijn. Want dat leek haar leuk. Mij leek het ook leuk. En dus zei ik dat ik het zou doen. Hoeveel spijt ik daarvan zou krijgen kon ik op dat moment onmogelijk weten.

Ik dacht namelijk aan de leuke dingen. Aan de vakanties in de Franse Alpen. En vooral aan hoe we daar elk jaar weer moesten zien te komen. Lang voordat we een auto hadden. De trein naar Briançon. En vandaaruit de bus naar La Grave of Villar d’Arêne. Eindeloze vakanties in de bergen. Voorafgegaan door een treinreis vol lezen, krentenbollen, gekookte eieren en natuurlijk sigaretjes en sigaren. En wanneer we helemaal veel geluk hadden: een nachtelijke tussenstop in een dorpje waar we pinda’s aten en wijn dronken op het perron.

Of die reis naar Duitsland een paar jaar geleden, waarbij ik misschien wel het leven van een zestienjarig meisje redde dat het aan de stok had gekregen met een man die zo groot en lelijk was als een Ork. Waarom we toen met de trein gingen kon ik me niet zo goed herinneren. En of het wel naar Duitsland was wist ik eigenlijk ook niet zeker. Maar ik had me als een held gedragen en was daarna ook nog eens zonder schrammetje weer uit de trein gestapt, dus dat was ook de moeite waard.

Alleen een psychopaat zit te wachten op een stuk over totaal overbodige omroepberichten over een trein die ook vandaag weer van spoor twaalf zal vertrekken

Dat hij ons tijdens een tussenstop van twintig minuten traag maar onstuitbaar als een zombie eerst vanuit de restauratie naar de uitgang van het station, en daarna dwars door de hal het perron opjoeg, waar we ons verstopten tot onze trein verscheen, zou ik natuurlijk weglaten. Het zou dus niet alleen een heel mooi, maar ook nog eens een heel erg spannend verhaal worden. En ik had er zin in.

Tot ik haar hoorde zeggen dat ik tenslotte elke dag met de trein reisde en ze benieuwd was naar hoe ik dat volhield en hoe ik het dragelijk voor mezelf maakte.

Toen had ik spijt. Ik reis namelijk inderdaad dagelijks met de trein. Al zeven jaar om precies te zijn. Eerst met het debacle dat Fyra heette, en daarna met het debacle dat ze Intercity direct noemen, en waar, voor zover ik weet, helemaal niks leuks over te vertellen is.

Alleen een psychopaat zit te wachten op een stuk over eindeloze vertragingen, defecte treinen en totaal overbodige omroepberichten over een trein die, net als de afgelopen zeven jaar, ook vandaag weer van spoor twaalf zal vertrekken. En dat is alleen nog maar het begin. Daarna komt de foltering door toeristen met een spraakgebrek dat ze Spaans noemen en die dertig minuten onafgebroken kunnen ouwehoeren. Het liefst heel hard door elkaar. En nog liever in de stiltecoupé.

Want de mensen zijn toch wel het ergst van de hele reis. En er komt een moment, vroeg of laat, dat je ze gaat haten. Om alles. Om de kleding die ze dragen. Het eten dat ze overal mee naar toe slepen. De flesjes water of die eeuwige bekertjes waardeloze stinkkoffie van Starbucks.

Natuurlijk. Wanneer je een keer per jaar met een stel vrienden met de trein naar Soldaat van Oranje gaat, is er niets aan de hand. Ik denk zelfs dat wanneer je naar Soldaat van Oranje gaat de treinreis achteraf bezien sowieso het hoogtepunt van de dag zal zijn. Maar wanneer je iedere dag met de trein reist, dan weet je dat de NS een uitvinding van God is om ons er dagelijks aan te herinneren dat er toch werkelijk een hel bestaat. In het begin vraag je je nog verwonderd af waaraan je zo veel ellende toch verdiend hebt, maar na een paar jaar denk je er niet meer over na en ervaar je het als een last die nou eenmaal bij het leven hoort. De één heeft Kim Jong-un en de ander heeft de NS. En over geen van beide valt veel positiefs te melden.

En daarom had ik dus spijt.

In de dagen daarna sloeg dat gevoel om in wanhoop. En dus besloot ik iets te doen dat altijd werkt. Ik zou een lulverhaal ophangen. En ik wist ook al hoe. Het was niet alleen iets dat nog nooit eerder bij me opgekomen was, het was ook nog eens geniaal. Ik zou namelijk doen alsof ik erachter probeerde te komen of het probleem van de stank en de herrie en de sluimerende minachting voor de mensheid misschien niet bij die mensheid lag, maar bij mij. Zo’n diepgravend verhaal zou ze niet zien aankomen. Dat wist ik zeker. En uiteindelijk zou natuurlijk ook nog eens blijken dat het inderdaad niet aan mij, maar gewoon aan de rest van de wereld lag. Dat laatste wist ikzelf tenslotte al zeven jaar.

Ik was blij met m’n vondst. En ik was opgelucht.

En toen gebeurde het. Het was niet iets dat ik geprobeerd had. Zelfs niet een klein beetje. Het was gewoon gebeurd. Die jongen met die baard en moeilijke bril in het gangpad die zichzelf zojuist nog zo zichtbaar buitengewoon vond, was weg. Niet echt, natuurlijk. Hoewel ik ervan overtuigd was dat hij geen eersteklaskaartje had en dus eigenlijk wel echt weg had moeten zijn. Hij was gewoon niet langer iemand die zichzelf moeiteloos interessant kon vinden, maar iemand met een ziekte die we bijna allemaal wel hebben gehad toen we een jaar of twintig waren en een beetje met onze identiteit worstelden.

Dat was verontrustend.

Op kortere afstanden zou niet het vliegtuig maar de trein de eerste keus moeten zijn, schrijven de topmannen van NS én KLM. Lees ook: Geef het spoor vleugels

Het werd pas angstaanjagend toen ook die werkelijk veel te zware man die een paar stoelen verderop om half negen ’s ochtends met z’n saucijzenbroodjes de hele coupé aan het vergeven was, geen onverzadigbare vreetzak meer was, maar iemand die waarschijnlijk geweldig goed kon koken, daar de allerbeste wijnen bij uitzocht en waarmee je avonden lang aan tafel kon zitten zonder je ook maar een seconde te vervelen.

Daar ging het in zeven jaar tijd zo zorgvuldig opgebouwde wereldbeeld van de reiziger waarin Taco Börger zo’n beetje de enige normale was. En niet alleen dat was weg, maar ook m’n verhaal. Want zo goed ben ik nou ook weer niet in het ophangen van een lulverhaal. En ik zou nog eerder een waar gebeurd stuk schrijven over hoe ik mezelf zonder verdoving een oogpiercing gaf, dan dat ik toe zou geven dat ik me zeven jaar lang helemaal voor niets kapot heb zitten ergeren. Ik kon niet beslissen wat ik nou het ergste vond.

Daar zat ik dan. Zelfs de man tegenover me veranderde al een klein beetje in iets anders dan een lul in een pak met Mickey Mouse-sokken eronder. Wat hij precies werd kon ik zo snel niet bedenken, maar het was allemaal ook nog maar net begonnen en deze man behoorde natuurlijk wel tot de allerzwaarste gevallen.

Het zou een opluchting moeten zijn. Maar dat was het niet. Het was verwarrend. Verwarrend en vooral confronterend. Gewoon negeren leek me dus het beste. Dan zou het vanzelf wel over gaan. Straks zat ik gewoon weer in een trein vol idioten en kon ik me weer wezenloos ergeren. Althans, dat hoopte ik. Het alternatief was een piercing. Of toegeven dat het misschien toch aan mij gelegen had. Dat kon natuurlijk ook nog. Ik vreesde dat het dat laatste zou worden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.