Recensie

Recensie Boeken

De worsteling van de moderne indiaanse stadsbewoner

Tommy OrangeIn Tommy Orange’s debuutroman, die jubelend werd ontvangen in Amerika, worstelen indiaanse stadsbewoners met de vraag wat hun ‘native-zijn’ behelst.

Illustratie: Paul van der Steen
    • Shira Keller

In ‘En relisant ta lettre’, een van mijn lievelingsnummers van Serge Gainsbourg, leest een man een brief voor waarin zijn geliefde wanhopig haar zelfdoding aankondigt. Na elke regel corrigeert de man droogjes haar spelfouten. Tijdens het lezen van Er is geen daar daar, de in Amerika alom bejubelde debuutroman van Tommy Orange (1982), moest ik aan het nummer denken.

Dit boek bezorgde me de nodige hoofdbrekens. Gelet op stijl en opbouw en personageontwikkeling – van die dingen waar je normaal gesproken je literaire oordeel op baseert – is het namelijk helemaal niet zo’n goed boek. En toch zou ik u willen aanraden het te lezen.

Orange, geboren en getogen in Oakland, heeft een ‘indiaanse’ achtergrond, en het is die achtergrond – en de daarmee samenhangende identiteitsproblematiek – waar zijn debuut om draait. Die aanhalingstekens staan er met opzet: Orange vertelt dat er voor veel mensen met inheems-Amerikaanse roots negatieve connotaties kleven aan de term ‘indiaan’ (net als aan ‘inheems-Amerikaans’ overigens), aangezien het de Europese kolonialisten waren die hem verzonnen. Orange’s personages worden bij voorkeur simpelweg ‘native’ genoemd.

Twaalf stadsbewoners

In Er is geen daar daar geeft Orange het woord aan twaalf stadsbewoners met een native achtergrond. Allen worstelen ze met de vraag wat dat precies behelst, ‘native zijn’. Enerzijds ontlenen ze hun identiteit aan het feit dat ze afstammen van het inheemse volk, anderzijds vechten ze voor ‘erkenning als mensen die in de tegenwoordige tijd leven’. Een van hen: ‘Wanneer iets niet uit de traditie put, hoe kan het dan inheems zijn? Maar wanneer iets blijft steken in de traditie, in het verleden, hoe kan het dan relevant zijn voor de inheemsen van nu, hoe kan het dan modern zijn?’

Het is deze double bind die alle personages in zijn greep houdt. Om een ‘sense of belonging’ te ervaren klampen ze zich vast aan tradities en gebruiken van hun voorouders, maar tegelijkertijd verachten ze zichzelf om de schijnheiligheid daarvan: het voelt niet authentiek, ze betrappen zichzelf op het ‘naspelen’ van indiaan-zijn. ‘Ik weet niet hoe ik mezelf moet zijn’, zegt een van hen, ‘alle mogelijke manieren waarop ik zou kunnen zeggen dat ik native ben klinken vals in mijn oren.’

Orange ontleende zijn titel aan Everybody’s Autobiography (1937) van Gertrude Stein, die net als Orange in Oakland opgroeide. Wanneer je je ergens thuis voelt, zegt Stein, wordt zo’n plaats automatisch deel van je identiteit. Andersom: wanneer dat ‘thuis’ niet meer bestaat heeft dit consequenties voor de beleving van je identiteit. Toen Stein als volwassene terugkeerde naar Oakland herkende ze haar vroegere ‘thuis’ niet meer: ‘there is no there there’.

Besmet

‘Het citaat gaat op voor de indianenbevolking in dit land’, schrijft Orange. ‘Het land is helemaal volgebouwd, grond van hun voorouders verborgen onder glas en beton en draad en staal, de herinneringen onherroepelijk bedekt’. Hoe geef je je identiteit vorm, vraagt de auteur, wanneer het ‘daar’ dat er als geraamte voor zou moeten dienen is vernietigd, en zelfs de herinneringen eraan, de verhalen erover, werden verdraaid of verzwegen? Hoe kun je ‘jezelf’ worden wanneer je thuis je is afgenomen?

Ook al was het uitroeien van indianen geen officieel Amerikaans beleidsdoel, het gebeurde wel – zozeer dat je van een koloniale catastrofe kunt spreken. Lees ook: Genocide op de rationele indianen

Orange beschrijft de tragiek van een ontwortelde gemeenschap, en tegelijkertijd lijkt daarin, in dat gebrek aan wortels dus, de hoop te schuilen, want precies dit is wat de personages op een fundamenteel niveau met elkaar verbindt. Er is geen daar daar is te lezen als Orange’s poging een nieuw verhaal, een modern ‘daar’, te creëren.

Ook wie nog nooit van Gertrude Stein heeft gehoord, heeft haar beroemdste zinsnede waarschijnlijk wel eens ergens zien langskomen: ‘Rose is a rose is a rose is a rose’. In Steins optiek was het woord ‘roos’ besmet geraakt door alle symbolische betekenissen die in de loop van de tijd aan het woord waren blijven kleven. Met de versregel poogde ze het woord te strippen van alle valse gevoelswaarde; door te dringen tot de kern ervan. Ongeveer zo probeert Orange met zijn debuut het woord ‘indiaan’ te ontdoen van beknellende associaties. Wanneer een jongetje zijn oudtante vraagt waarom ze hem nooit iets over het native-zijn geleerd heeft, luidt haar antwoord: ‘Je bent indiaans omdat je indiaans bent omdat je indiaans bent.’

Moderne echo

Zoals ik al aangaf: voor de stilistische fijnproever zal Er is geen daar daar af en toe wat moeilijk te verteren zijn. Om zijn thematiek kracht bij te zetten laat Orange zijn personages misschien wat al te gretig in spiegels en spiegelende oppervlakken staren. Het wemelt van de inconsistente werkwoordstijden. Hier en daar gaat er een beeldspraak met Orange op de loop (‘we luisterden naar het regelmatig klotsende geluid van auto’s die langsreden, net als het geluid van golven die klotsten op de rotsblokken langs de oever van onze onzekere toekomst’). Geregeld stuit je op vergelijkingen die je even achter de oren doen krabben (‘voordat je werd geboren was je een matroesjka aan mogelijkheden in de eierstokken van je moeder’) of die zo willekeurig zijn dat ze onbedoeld lacherig stemmen (‘vanbinnen voel ik me zo wit als het lange, pilvormige kussen dat van mam altijd op mijn bed moet liggen, al gebruik ik het nooit’). De dialogen zijn wat gekunsteld.

Tenslotte blijven de meeste personages ondanks hun uitgebreide monologen aan de vlakke kant, zodat ook het slot – op zich een fantastische vondst: een moderne echo van de genocide van vijf eeuwen geleden – niet de impact heeft die je zou wensen.

Er zijn kortom wel wat argumenten te bedenken om de roman af te wijzen. Maar wie zich bij Er is geen daar daar richt op stilistische onvolkomenheden slaat op een bepaalde manier net zozeer de plank mis als Gainsbourgs personage dat zijn aandacht richt op de schrijffoutjes van zijn vriendin: het voelt misplaatst. Wat hier verteld wordt (en, vooral: dat het verteld wordt) heeft zoveel maatschappelijke urgentie, dat hoe het verteld wordt bijzaak lijkt.