Opinie

Veel echter

Georgina Verbaan

Hoi dooie plant, Er is iets veranderd in het licht, de stilte klinkt ook anders. Alsof een nieuw systeem zich achter die stilte schuilhoudt. Je staat er keurig bij op het dakterras. Vastgesnoerd aan een stok schokt je verwaarloosde droge lichaam in de wind. Jij bent mijn piratenvlag. ‘Hij is mijn piratenvlag’ zal ik de mensen toefluisteren. Of ‘Hijs mijn piratenvlag!’ wanneer ik dronken of anderszins onverwacht enthousiast geraakt ben in de nabijheid van anderen.

Als het voorjaar komt kijk jij niet op. Dat kan niet meer. Jij blijft wat je bent. Mijn constante factor, mijn dooie plant. Of ben je een boom? Je hebt een stam, je zal een boom zijn. Maar wat maakt het nog uit? Je dorre takken steken af tegen een grijze lucht. Of iets dat de illusie van grijs op één plek kan houden. Een laag die net meer dan een waas is, daaronder iets dat we niet mogen zien. Een onderkleur, die ik kan voelen. Ik kijk naar jou, mijn plant, mijn boom. Mijn dooie schepsel in een pot. Jouw lichaam doet mij echter aan dan het mijne. Verkruimel je als ik je aanraak?

Vorige winter bloeide je nog. Reeds dood gewaand stond je op zolder. In de droge lucht van de centrale verwarming. Te wachten, tot het dak gemaakt was. Ik heb je leven niet gered. Gaf je geen water. Ik keek naar jou. Je bloeide op. Witte bloesem uit je takken. Hij leeft, dacht ik. En dat was dat. Toen ging je dood.

Gewoon een woensdag zou dit zijn, zomaar een dag na een dinsdag, een nieuwe dag op planeet aarde. Maar ik trap daar niet in. Het licht klopt niet, voel je dat, dooie plant? Het geluid loopt niet synchroon met vogels. Al helemaal niet met het jaargetijde. Dit geluid is oud, ik heb het eerder gehoord. Er is een fout gemaakt.

Witte bloesem uit je takken. Hij leeft, dacht ik. En dat was dat. Toen ging je dood

Een scheve dag. Ik ken dit licht. Gerecycled. Het is alleen binnen zitten als iedereen buiten is en de geur van nieuwe luxaflex, het is omlopen door weilanden als je te laat bent, cadeautjes kopen voor mensen die nooit voor je gaan zorgen, kotsen in een prullenmand van gaas.

Ik ben blij dat je dood bent. Nu kan ik zonder schuldgevoel genieten van je aanwezigheid. Je zal niets meer meemaken, maar daar kan ik ook niets aan doen. Ik kan je niet meer verwaarlozen, alles wat ik doe is goed.

Aan deze brief heb je ook niets. Dat was bij leven en welzijn niet anders geweest. Toch had ik er, als ik je in dat geval een brief geschreven had, anders in gestaan. Waarom wel een brief en geen water, had ik me afgevraagd. En dan had ik me rot gevoeld. Maar zo is het goed. Je bent mooi. Het verpauperde hekje waar je binnen staat – ooit wit – is als een sierlijst, je open kist. Ik ga je laten staan in je krappe pot. Wanneer alles nep lijkt, zal ik naar je kijken, dat zal me geruststellen. Kijk hem staan met zijn kapotte lichaam, zal ik denken. Hij is dood veel echter dan hij levend ooit was.