Recensie

Otto Dicke legde rustig vast wat uit Dordrecht verdween

Tentoonstelling „Mensen het is er nog, kijk om je heen, geniet ervan.” De Dordtse tekenaar Otto Dicke legde liefdevol alles vast. Huiselijke tafereeltjes, sloopgezichten en landschappen.

Otto Dicke, Elsje (1949, aquarel, 26 × 37 cm)
Otto Dicke, Elsje (1949, aquarel, 26 × 37 cm) Foto Collectie Erven Dicke

De tekenaar Otto Dicke (1918-1984) woonde bijna zijn hele leven in Dordrecht. Op de valreep van zijn honderdste geboortejaar opende in het Dordrechts Museum een overzicht van zijn werk, dat toepasselijk begint met inkttekeningen van de Dordtse binnenstad. Het zijn behendig gemaakte stadsgezichten, in een consequente stijl die aan Rembrandt en zijn school doet denken. Dicke lijkt soms meer met die stijl bezig te zijn geweest dan met de stad als een bezienswaardigheid die steeds nieuwe indrukken oplevert.

Nou is Dordrecht misschien ook niet het meest geschikte onderwerp om fris en onbevangen tegenaan te kijken. De historische gevels, de Grote Kerk, de boten die in de haven voor anker liggen: het is allemaal wel erg pittoresk, en in de loop der eeuwen ook al duizend keer in beeld gebracht.

Otto Dicke, Sloop Bleijenhoek Dordrecht (1975, inkt op papier, 53,2 × 73 cm) Collectie Erven Dicke

Helaas voor Dordrecht, maar gelukkig voor Dickes tekenkunst werd er in de jaren zeventig veel oudbouw gesloopt. Dicke was daar tegen, maar hij tekende wel veel panden halverwege de afbraak en hij moet zelf toch ook hebben gezien dat dat ongewonere stadsgezichten opleverde. De sloop zette zijn blik op scherp, verlevendigde zijn lijnen en prikkelde zijn compositievermogen. Tussen stapels puin staan binnenmuren die buitenmuren zijn geworden. Grote vlakken, waarop soms nog sporen van kamers en verdiepingen te lezen zijn. Ineens wordt Dicke familie van Marjan Teeuwen, die vandaag de dag installatiekunst maakt van verwoeste huizen.

In het vervolg van de tentoonstelling zijn Dickes andere kanten te zien: het reclame- en illustratiewerk waarmee hij de kost verdiende, een kabinetje met figuurtekeningen en drie wanden met landschappen, getekend in de Hollandse polder maar ook op reis in Japan en Frankrijk. (Dickes drogenaald-achtige verticale inktlijnen staan de gotische kathedraal van Auxerre net wat beter dan de oude gevels van Dordrecht.) Een heldere catalogus geeft er de feiten bij. Meest verrassende feit: Dicke was als tekenaar volledig autodidact. Later in zijn leven ging hij zelf wel lesgeven aan anderen, op de kunstacademie in Rotterdam.

Otto Dicke, Polletje (1959, potlood op papier, 29 × 27 cm) Foto Collectie Erven Dicke

Sommige onderdelen van het beknopte overzicht maken nieuwsgierig naar meer. De familietekeningen, bijvoorbeeld. Kleinzoon Matthijs, met jarentachtigstekeltjes en schoenen die lijken te zijn getekend door een potlood dat speelkwartier had, hangt onderuitgezakt te lezen in een door zijn opa geïllustreerd boek. Zijn oma Elsje ligt ook te lezen, als knappe jonge vrouw in een aquarel van ruim drie decennia eerder. Hand onder het hoofd, opgetrokken knieën, blote voeten. Veel intiemer wordt een tekening niet.

In zijn landschappen schopte Dicke ook geen herrie. Hij tekende oneindig laagland en kronkelende dijken, boerderijtjes en knotwilgen. En een enkele keer iets minder geijkt schilderachtigs, zoals een stel modernere landbouwschuren in Rhoon – die dan toch weer in warm tegenlicht een mooie herinnering voor later staan te worden. Het is allemaal niet grensverleggend, maar wel gemaakt met wat een landschapstekenaar eerst en vooral moet hebben: een goed gevoel voor licht en ruimte.

„Ik wil ogen openen”, zei Dicke in 1972, „en met mijn tekeningen als het ware zeggen: mensen het is er nog, kijk om je heen, geniet ervan.” Dat is in al zijn eenvoud een mooie houding om het leven mee tegemoet te treden. Stilstaan, kijken, tekenen. Of kijken wat een ander getekend heeft.