Niets was veilig voor Basquiat

Expositie In Heerlen is werk te zien van Jean-Michel Basquiat: ruwe New Yorkse jarentachtigkunst.

Jean-Michel Basquiat in zijn appartement (1981).
Jean-Michel Basquiat in zijn appartement (1981). Foto’s Alexis Adler/Museum of Contemporary Art Denver

Bij weinig mensen hangt de badkamerdeur uit de studententijd aan de muur. Bij Alexis Adler wel. Jean-Michel Basquiat (1960-1988) beschilderde de deur. Ook andere werken van haar voormalige geliefde hebben een plek in Adlers huis.

Hij was eind 1979, begin 1980 nog een tiener. Zij was vier jaar ouder en studeerde. „Maar Jean dacht en gedroeg zich heel volwassen”, vertelt de Amerikaanse tijdens haar bezoek aan Heerlen. „Hij had voor het eerst een vaste plek sinds hij op zijn zestiende van huis was weggelopen. Dus kon hij opeens alle ideeën in zijn hoofd uitwerken. Het was een soort explosie. Jean was dag en nacht met kunst bezig. Zelfs tijdens het vrijen kwamen de invallen – en die moest hij dan meteen uitwerken.”

Op de tentoonstelling Basquiat, the artist and his New York scene in het voormalige warenhuis SCHUNCK* in Heerlen, hangen de getekende krabbels, poëtische probeersels en beschilderde voorwerpen van toen. Geld voor doeken ontbrak, dus gebruikte Basquiat de straat en zijn appartement in de New Yorkse wijk Lower East Side als canvas. Adler: „Als je wakker werd, konden je kleren beschilderd zijn. Of de vloer of de koelkastdeur. Jean vond ook spullen op straat om mee te werken: van een radiator tot een oude tv.”

De wijk waar Basquiat en Adler een uitgewoond pand hadden gevonden was destijds een wijk in verval. Rotzooi genoeg. Adler: „Drugs en criminelen beheersten de straat. Mensen maakten vuurtjes in huis om het warm te hebben. En verhuurders zetten ook zelf de fik in hun panden. De huren brachten zo weinig op dat ze liever het verzekeringsgeld inden.” Die desolate sfeer had een keerzijde. „De politie liet zich er zelden zien. Dat gaf veel vrijheid. Het was één dynamische uitwisseling van culturen, ideeën en kunstvormen. De muziek veranderde met punkrock, new wave en reggae. Hiphop begon op te komen.”

Jean-Michel Basquiat in zijn appartement (1979 of 1980). Foto’s Alexis Adler/Museum of Contemporary Art Denver

Juist vanwege dat ruwe voelde Heerlen zich geroepen deze expositie (eerder te zien in Denver, Detroit en St. Louis) in huis te halen. De stad afficheert zich graag als urban en maakt dat onder meer zichtbaar met steeds meer muurschilderingen. En ook Heerlen kent zijn verval: ooit een van de rijkste plaatsen van Nederland, nu een halve eeuw na de mijnsluitingen onderaan alle lijstjes. Al zien Amerikanen die de Lower East Side van veertig jaar geleden gewend zijn, de ellende niet van de stad af. Adler: „Ik durfde me destijds niet met mijn fotocamera op straat te vertonen. Bang voor iemand met een mes of een pistool.”

Zij probeerde met haar toestel leven en werk van Basquiat vast te leggen. Ook na hun breuk bewaarde ze werk van hem. Het meeste borg ze op in een kluis bij een bank – ze dacht er jarenlang niet meer aan. „Tot orkaan Sandy, in 2012. Ik was bang dat het water ook de kluis was ingelopen.”

‘Een flashback, ik gilde het uit’

Toen de kluis openging ervoer Adler, zegt ze, het zien van de verzameling „als een soort flashback, ik gilde het uit”. Later kwam, ook door de blik van deskundigen, het besef van de kunsthistorische waarde.

Het Museum of Contemporary Art in Denver kwam op het idee van de expositie. De combinatie van Adlers collectie én werken van Basquiat en geestverwanten van zijn eerste, grote tentoonstelling in een pand bij Times Square in 1980, met toevoeging van vier schilderijen, is nu in Heerlen te zien. Volgens curator Nora Burnett Abrahams kan Basquiats relevantie nauwelijks overdreven worden: „Als een van de eersten mixte hij de woede en cultuur van de straat met ‘hoge cultuur’. En hij doorbrak als jongeman van Haïtiaanse en Puerto-Ricaanse komaf door het racisme en elitarisme van de kunstwereld.” Al waren er nog tal van vooroordelen. „Interviewers en anderen benaderden hem als een soort nobele wilde.”

Beschilderde tv in zijn appartement.Foto’s Alexis Adler/Museum of Contemporary Art Denver

Adler herinnert zich de moeilijkheden van toen: „Jean kon bijvoorbeeld niet zomaar een taxi aanhouden. Geen enkele stopte voor hem. Voor een bezoek het MoMa binnenkomen was lastig voor jongens met een kleur.” Zelfs na Basquiats doorbraak kochten maar heel weinig musea werk van deze zwarte kunstenaar”, zegt Burnett Abrahams. „Het kwam in trek bij particulieren, die de prijs zo opdreven dat de aanschaf van schilderijen voor de meeste musea nu onhaalbaar is.” De tentoonstelling in Heerlen (driehonderd werken, waarvan tachtig van Basquiat) heeft een verzekerde waarde van 150 miljoen euro.

Volgens Burnett Abrahams toont de expositie „op een intieme manier de vroege zaadjes van een meesterschap dat een paar jaar later tot grote bloei zou komen” Misschien was het zijn creatiefste periode, denkt ze. „Na zijn doorbraak was de druk van handelaren en managers groot. Ze waren mede debet aan het drugsgebruik dat hem op jonge leeftijd de dood injoeg.”

In zijn vroege werk was Basquiat „springeriger”, zegt ze. „Bij maar weinig grote kunstenaars krijg je dat stadium van trial-and-error, van absorberen en filteren van talrijke invloeden zo te zien. Het maakt ook duidelijk dat hij een heel andere kant op had kunnen gaan. Hij was tevens tekenaar, performer, musicus en schrijver. Je ziet hem spelen met woorden en zinnen, taal manipuleren.”

Burnett Abrahams zag in Denver hoe inspirerend die ontdekkingstocht kan zijn voor bezoekers, kunstenaars en niet-kunstenaars. „Je hoeft niet direct één, gebaand pad te volgen. Dat is een bevrijdende gedachte in een tijd waarin mensen het idee wordt opgedrongen dat ze meteen af moeten zijn, een duidelijke richting moeten hebben.”

Basquiat, the artist and his New York scene. SCHUNCK*, Heerlen, t/m 2/6. Meer informatie: schunck.nl

    • Paul van der Steen