Naar Tanzania. Niet voor de big five, maar voor de vogels

Reizen In Tanzania vliegen de mooiste vogels. Op vogelsafari, op zoek naar baardvogels, bijeneters en blauwfazantjes.

Een vorkstaartscharrelaar, in Nationaal Park Mikumi, in Tanzania.
Een vorkstaartscharrelaar, in Nationaal Park Mikumi, in Tanzania. Foto Getty Images

Het is al middernacht geweest wanneer we de warmte instappen. Een douanier deelt drinkwater uit. „Karibu”, heet hij ons welkom in Swahili. Iemand anders stelt zich voor als Mohamed. Hij glimlacht innemend en toont een papiertje. „Dijksterhuis”, staat erop.

Mohamed is onze gids. Hij zal ons tien dagen lang rondleiden door de natuurgebieden Mikumi en Selous van Tanzania, waar minder toeristen, maar meer vogels te zien zijn dan op de beroemde Serengeti-vlakte. De reisorganisatie regelde hem vanwege zijn vogelkennis. De meeste toeristen willen de big five zien – leeuw, luipaard, neushoorn, olifant, buffel –, maar ik vind vogels zeker zo interessant.

Op weg naar het hotel kijken dochter (20), zoon (16) en ik uit de roestige landcruiser naar de straten van Dar es Salaam. Voor de auto schiet meteen al een exotische nachtvogel de weg over: een watergriel, een grutto-achtig beest. Hopelijk raken mijn kinderen tijdens deze reis even gecharmeerd als ik van de ijsvogels, de neushoornvogels en de gieren die we zeker zullen tegenkomen.

De volgende morgen zie ik vanaf het balkon huismussen en huiskraaien. Die kwamen hier oorspronkelijk niet voor, maar zijn meegenomen door kolonisten uit Europa respectievelijk handelaren uit India. Ook gierzwaluwen scheren rond: onze gierzwaluwen overwinteren hier, maar er zijn ook kleinere huisgierzwaluwen met een witte stuit. En uit de palmbomen schieten gierzwaluwen met een dunne puntstaart tevoorschijn: palmgierzwaluwen.

Meteen al drie soorten. Zo gaat het vaak: hebben wij een ijsvogel, hier hebben ze er tien. Hebben wij een spreeuw, hier hebben ze twintig soorten, de één nog fraaier dan de ander, zodat er zelfs een splendid starling rondvliegt en – baas boven baas – een superb starling, ‘driekleurige glansspreeuw’ in het Nederlands.

Die vogelrijkdom is voor een vogelaar als ik een aanlokkelijke reisbestemming. Toch ben ik niet zo’n fanatieke soortenjager dat ik hele dagen lijstjes aan het afvinken ben. Ik geniet ook van het landschap waarin vogels leven. En van de andere dieren en planten. Geen vogel zonder insecten, geen insecten zonder bloemen.

Ons hotel ligt aan zee en het is eb. Op het drooggevallen wad van de baai sjouwen mensen en vogels rond. Behalve huiskraaien zie ik zilverreigers, Mozambique-reigers, heilige ibissen en zowaar een gigantische palmgier. Die hangt volgens het boek The Birds of Eastern Africa dat ik heb meegenomen vaak rond bij water, omdat-ie van vis houdt. Het is een dik boek: alleen al in Tanzania zijn ruim duizend vogelsoorten woonachtig of vaste gast, bijna twee keer zoveel als in Europa. Er zijn hier hele vogelfamilies die bij ons ontbreken, zoals baardvogels en neushoornvogels.

We gaan op weg naar Nationaal Park Mikumi. Een tropisch regenbuitje roffelt de autoruiten schoon. Tussen auto’s, riksja’s en bussen kruipen we van stoplicht naar stoplicht, waar jongemannen ruitenwissers en poloshirts aanbieden. Buiten de stad wisselen papaya-, mango- en vuurrode flamboyantbomen elkaar af, „christmas trees”, noemt Mohamed die.

Het Nationaal Park Mikumi in Tanzania.

’s Middags bereiken we de savanne, we passeren het bord ‘Mikumi NP’ – een hek ontbreekt. Prompt zien we allerlei wilde dieren en de eerste hoornraven, gitzwarte reuzenvogels met vuurrode koppen en enorme, kromme snavels. Daarmee jagen ze op slangen en hagedissen. Hoe weten die beesten dat ze ín en niet úít het reservaat moeten zijn? „Zodra die vogels of andere dieren zich uit de reservaten wagen, worden ze doodgeschoten”, sombert Mohamed: „Bushmeat.”

We checken in bij het hotel. Wanneer het donker invalt, verdringt een pandemonium aan nachtvlinders, krekels en kevers zich bij de buitenlampen. Dat lokt een nachtzwaluw, een vogel die op insecten jaagt. In Nederland broeden ook nachtzwaluwen, van één soort, die in Afrika overwinteren. Daar voegen ze zich bij de pakweg twintig Afrikaanse soorten. ’s Nachts horen we het diepe ‘hoe!’ van een Afrikaanse oehoe, maar ook het gegrom van een leeuw.

Kalkoenachtige grootheden

Zes uur ’s morgens rijden we weer de savanne op. Een roedel impala’s kleurt oranje in het licht van de opkomende zon. Een veelkleurig kleinood strijkt neer op een grashalm. Het is een prachtige honingzuiger, een kolibri-achtig vogeltje, in glimmend groen, rood en geel. Hij poseert in de zon, maar gunt me niet de tijd voor een foto.

Het wemelt hier van de vogels, heel andere soorten dan bij ons. Mohamed kent ze en ik heb het vogelboek. Gaandeweg leer ik ze (her)kennen. Zoals de trappen, kalkoenachtige grootheden die zich vreselijk opwinden en zich binnenstebuiten keren van razernij, en drie soorten scharrelaars, de één nog blauwer dan de ander. De inheemse vorkstaartscharrelaars krijgen ’s winters bezoek van Europese scharrelaars. De Europese blijven volgens Mohamed sinds een paar jaar broeden in natuurgebied Selous.

De koritrap. Foto Istock

Het is net regentijd, een groen tapijt verrijst uit de aarde, de gnoes werpen kalfjes en de vogels zingen. De Europese trekvogels zijn gearriveerd. Twee boomvalken, pijlsnelle roofvogels met roestbruine poten, ravotten met vier Afrikaanse boomvalken, twee woestijnvalken en vijf dwergvalkjes, nauwelijks groter dan spreeuwen. Een schitterend Dickinsonsvalkje kijkt toe. Zoveel valken, ik kom ogen tekort.

Europese en Afrikaanse boomvalken zijn zo snel dat ze als één van de weinige roofvogels op zwaluwen jagen. Ook hier jakkeren ze achter de Afrikaanse variant op onze boerenzwaluw aan. Mohamed vermoedt dat beide valkensoorten hier wel eens kruisen. Dat lijkt mij sterk, want vogels paren vlak voor de eileg in hun broedgebied. Waarschijnlijk konden de twee soorten juist vanwege hun gescheiden populaties uit een gemeenschappelijke voorouder ontstaan.

Steeds als we bij vogels stoppen, zeggen mijn kinderen, die onder het opgekrikte dak in de auto staan en rondkijken, dat ze het verkoelende briesje missen. En ze vinden olifanten, buffels en leeuwen leuker. „Rijden we verder?” Het is warm, we zijn al drie uur bezig, en hoewel ik alert probeer te blijven, verschijnt voor mijn geestesoog ook steeds vaker koffie. Intussen zien we op de zoogdieren vaak ossenpikkers, spreeuwachtige vogels die parasieten uit vachten pikken en smeer uit oren.

Blauwe spreeuwen, rode kraaloogjes

Terug bij het hotel scharrelen voor onze slaaphut driekleurige glansspreeuwen rond. Wat zijn ze mooi. Als auteur van een boek over onze eigen spreeuw heb ik een zwak voor spreeuwen. We zien hier ook prachtige blauwe spreeuwen met rode kraaloogjes. Die komen volgens mijn eigen boek alleen voor langs de Zambiaanse grens in het zuiden. Maar Mohamed en ik zijn het erover eens dat onze waarneming betrouwbaarder is dan het verspreidingskaartje.

De glansspreeuw. Foto Istock

De glansspreeuwen nemen plaats in een dode boom, waar ik een grijze neushoornvogel in zie landen. Hij vliegt gauw weg, maar keert weldra terug. Hij blijft af en aan vliegen. Neushoornvogels zijn grote, tropische vogels met kolossale snavels. Ze broeden in boomholten, en hebben een uitgekiende strategie. Het vrouwtje neemt plaats op de eieren en komt het hol pas uit als de jongen groot zijn. In de tussentijd laat ze zich inmetselen. De opening wordt met modder opgevuld, op een klein gat na, waardoor haar geliefde eten brengt voor haar en de jongen. Dat dit pal voor onze neus gebeurt, maakt mij heel blij.

De volgende dag gaan we naar Selous National Park. We rijden over een rode zandweg langs erven waar kinderen spelen en geiten scharrelen. Mannen dragen witte overhemden, vrouwen felgekleurde doeken. Hoe houden ze hun kleren zo schoon tussen stof en modder? De geuren van kookpotten en houtskoolvuren dwarrelen de auto in.

Selous is bebost, daardoor zie je dieren niet van verre. Dat verhoogt de spanning of we iets zien – misschien wel leuker dan het zien zelf. Mohamed slalomt stapvoets tussen de acacia’s door en wijst op vogels, de een nog regenboogkleurrijker dan de ander: baardvogels, klauwieren, bijeneters, blauwfazantjes, langklauwen, amaranten.

Lees ook het interview met hoogleraar psychologie Ap Dijksterhuis: ‘Reizen is goed. Ook als je het eigenlijk niet durft’

We rijden naar een meer met nijlpaarden en krokodillen. Lelkieviten met gele slabben en zwartwitte smidsplevieren schuimen de oever af, een zeearend loert vanaf een dode tak. Er sjouwen hamerkoppen rond, bruine reigers die de grootste nesten bouwen van alle vogels, en gapers – ooievaars met snavels die niet goed dicht kunnen. Een enorme maraboe-ooievaar zit op zijn hakken, met zijn poten voor zich uitgestrekt: geen gezicht.

Op de laatste avond troont Mohamed ons in een soort badkuip met buitenboordmotor mee naar een zandbank in de Rufiji-rivier, waar malachietijsvogels rondfladderen. Hij tovert glazen en een fles witte wijn tevoorschijn. Met uitzicht op twee ooievaars met de toepasselijke naam nimmerzat proosten we, terwijl de rode bal in de rivier zinkt.