Recensie

Recensie Muziek

Fischers Stravinsky is onbetamelijk opwindend

Iván Fischer leidde zijn Boedapest Festival Orkest in een sensationeel Stravinsky-programma. Opwindend, onbetamelijk en duizelingwekkend goed.

Violisten uit het Budapest Festival Orkest vormen plots een tangopaar
Violisten uit het Budapest Festival Orkest vormen plots een tangopaar Foto Ronald Knapp

Eigenlijk is het godgeklaagd, verbijsterend en onfatsoenlijk dat het Concertgebouw woensdagavond halfleeg bleef terwijl er een sensationeel zesballenconcert aan de gang was. Iván Fischer leidde zijn Boedapest Festival Orkest en het RIAS Kammerchor in een Stravinsky-avond, die via werk uit diens Amerikaanse periode terug de tijd in boorde.

Het orkest was alvast begonnen toen Fischer de trap afdaalde – een vrolijke knipoog naar het paradekarakter van de eerste van vier Norwegian Moods, guitige stukjes die Stravinsky nota bene schreef voor een oorlogsfilm, waarvoor ze begrijpelijkerwijs niet werden gebruikt. Na het stuwende, gelaagde ‘Scherzo à la russe’ volgde de stuurse ‘Tango’, waarbij twee violisten plotseling opstonden om als volleerde tangodansers over het podium te zwieren. En passant gaf Fischer zo een masterclassje programmeren, alvorens in de adembenemende Psalmensymfonie het RIAS-koor te laten ademen en excelleren, zonder de strakke schakelingen onder de oppervlakte te veronachtzamen.

En toen moest Le sacre du printempsnog komen. Stravinsky’s schandaalstuk uit 1913 is een onvergankelijk meesterwerk dat zich niet plat laat spelen. Maar zo bont als Fischer en zijn BFO het maakten, hoor je het zelden. Opwindend en onbetamelijk in het kwadraat, uitgevoerd met groot raffinement, opererend als één organisme. ‘Rondes printanières’, halverwege het eerste deel, klonk zo tergend traag en slepend dat het op de rand van desintegratie balanceerde. Het culmineerde in een grandioze kakofonie, haast onherkenbaar vervormd. Het tweede deel opende met schitterende, onthechte klankmengsels, gevolgd door een demonische versnelling en een barbaarse fanfare. Fischer dirigeerde uit het hoofd en voerde zelf een soort woeste offerdans uit om alle gekke accenten en onregelmatige tellen aan te geven. Het was extreem, maar ook urgent, vrij van effectbejag en duizelingwekkend goed.

Eind deze maand keert Fischer terug om het Concertgebouworkest te dirigeren, wederom in een Stravinsky-programma, met onder meer het ballet Petroesjka en het pianoconcert Capriccio met Emanuel Ax. U bent gewaarschuwd.