Opinie

    • Floor Rusman

Bij verveling vlucht ik uit mijn lichaam

Laatst zag ik weer zo’n kop: „Aantal werknemers met burn-outs blijft stijgen”. Mijn eerste reactie: zijn we nou nog niet klaar met dit thema? De analyses kun je van tevoren uittekenen: we kunnen de flexmaatschappij niet aan, we vergelijken onszelf te veel met anderen, we zijn overprikkeld, of zelfs: door de ontkerkelijking zitten we in een existentiële crisis.

Het onderwerp lijkt, kortom, intellectueel uitbehandeld. Maar een leuke probleemanalyse betekent niet het einde van het probleem, zoals blijkt uit de nieuwe burn-outcijfers. Het lijkt zelfs alleen maar erger te worden.

Ik lees nu Intimiteit, het nieuwe boek van de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe, dat gaat over onze verhouding tot ons lichaam. Aandoeningen zoals burn-outs ontstaan niet plotseling, schrijft Verhaeghe: „Ze hebben een jarenlange voorgeschiedenis, waarbij ons lichaam al heel wat signalen gaf dat we verkeerde ‘keuzes’ aan het maken zijn”. Stress openbaart zich eerst subtiel en allengs luider, aldus Verhaeghe, maar niet iedereen wil dat horen: er zijn veel mensen „die de signalen van hun lichaam niet voelen en er bijgevolg geen gehoor aan geven – zij lopen een veel grotere kans om later ziek te worden”.

Over dit fragment heb ik lang nagedacht. Het lichaam staat nogal in de aandacht dezer dagen: zelfs verstokte intellectuelen gaan tegenwoordig naar yoga, eten gezond en rennen rondjes om het park. Wij moderne mensen staan met een vergrootglas naar ons lichaam te kijken, en tóch wordt het ene na het andere signaal gemist. Hoe kan dat?

Wie stress of verveling ervaart, is snel geneigd tot vluchtgedrag: roken, drinken, winkelen, snoepen. Hier is de afgelopen twaalf jaar een magnifiek middeltje bijgekomen, goedkoper dan winkelen en (ogenschijnlijk) gezonder dan roken: de smartphone. Zelf heb ik er pas drie jaar één, maar de afhankelijkheid ervan had ik snel onder de knie. De invloed van het ding op mijn leven is enorm, realiseer ik me nu. Nooit meer ben ik enkel op de plek waar ik mij fysiek bevind: ik ben via mijn telefoon in potentie op ontelbaar veel plekken tegelijk.

Soms pak ik zelfs, als ik op mijn laptop Twitter en Facebook tot het uiterste heb doorgescrold, mijn telefoon om daar hetzelfde te doen, gulzig en gedachteloos. Het doet me denken aan de keren dat ik dacht: „Nu zou ik wel een sigaret lusten!”, om vervolgens te ontdekken dat er een brandende sigaret in de asbak lag. Wil ik op zulke momenten echt graag weten wat al mijn contacten op sociale media te melden hebben? Nee, ik wil alleen maar weg van de onrust die ik soms ervaar wanneer ik met mezelf alleen ben.

Wie in zijn telefoon verdiept raakt, treedt als het ware uit zijn lichaam. Heb ik pijn, dan raakt die op de achtergrond zodra ik door Twitter scrol. Negatieve gedachten of emoties worden naar de randen van mijn gezichtsveld geduwd. Wanneer ik terugkeer in mijn fysieke omgeving, voelt het alsof ik ontwaak uit een staat van bewusteloosheid.

Ondertussen heb ik natuurlijk allerlei signalen gemist. Onze gevoelens houden niet ineens op te bestaan wanneer we ze negeren; ze woekeren voort, „onderhuids”, zoals Verhaeghe het beschrijft. Dit weten we best, maar nog steeds grijpt iedereen naar z’n telefoon in dode momenten of tijden van stress. We willen best zorgen voor ons lichaam, maar we willen er ook voortdurend aan kunnen ontsnappen.

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Floor Rusman