Foto Frank Ruiter

‘Als mijn kinderen aap worden genoemd, vind ik dat dan ook nog grappig?’

Lunchinterview Steven Brunswijk (35), cabaretier, voorheen Braboneger, behandelt in zijn show apartheid, racisme en slavernij. „Mensen lachten om me, maar om de verkeerde reden.”

De Braboneger bestaat niet meer. Steven Brunswijk (35) heeft het typetje dat hij vanaf 2011 speelde eigenhandig het zwijgen opgelegd. Als Braboneger kon hij in plat Brabants dingen zeggen die sommige mensen nauwelijks durven denken. Over luie werklozen, uitkeringstrekkers en over Zwarte Piet. Hij was niet zo’n „zwarte zeurzeiker” die klaagde over racisme of slavernij, en een neger mocht je wat hem betreft gewoon een neger noemen. Na zijn eerste filmpjes op Dumpert en GeenStijl boekte hij succes in het theater en op tv. Het moment dat het „niet meer goed voelde”, zegt hij, was toen hij eind vorig jaar bij het Friese tv-programma Iepen Up werd aangesproken als ‘Braboneger-tje’. „Mensen lachten om me, maar om de verkeerde reden.”

Nu is hij weer gewoon Steven Brunswijk, BN’er door zijn deelname aan het tv-programma Expeditie Robinson. En daar stond voor het eerst onder zijn naam in beeld wat hij wil zijn: cabaretier. Tot eind mei staat hij met zijn voorstelling Van slaaf tot meester door heel Nederland in het theater. De dag na zijn show in theater Castellum in Alphen aan den Rijn treffen we elkaar bij Van Puffelen in Den Bosch. Zijn oudere broer Eric is mee, zijn manager ‘Huggy’ ook. Straks gaan ze op audiëntie bij de commissaris van de koning om te vragen of hij, Steven Brunswijk, ambassadeur van Brabant kan worden. Geen grap. Als ambassadeur wil hij handelsmissies initiëren naar Suriname, zijn geboorteland. Broer en manager zitten aan een tafeltje apart aan de uitsmijters, wij eten een tosti.

In Alphen aan den Rijn legde hij het – overwegend witte – publiek uit waarom hij geen Braboneger meer wil heten. „Je groeit als mens.” De Braboneger stamt nog uit de tijd dat hij huis-aan-huis alarmsystemen verkocht en ’s nachts portier was bij Tilburgse discotheken. Hij was 24, 25. Hij leerde zijn huidige vrouw net kennen – in de sportschool. Hij moest nog vader worden. Nu heeft hij drie kinderen; een dochter van 5, een zoon van 3 en een dochter van zes maanden. „Als zij aap worden genoemd, vind ik dat dan ook nog grappig?”

Als een geschiedenisleraar behandelt hij op het toneel de hoofdstukken apartheid, de Binnenlandse oorlog in Suriname (1986-1992), racisme en slavernij. Dus tóch? Hij knikt. „Bij de try-out in september vertelde ik nog veel meer. Ik had het over Jesse Owens, de zwarte hardloper die de Olympische spelen van Hitler verpestte door alles te winnen, ik had het over vluchtelingen die volkomen terecht het geluk elders zoeken, ik somde een lijst met zwarte uitvinders op…” Maar? „Er kwamen klachten binnen bij mijn impresariaat. Mensen vonden de show niet leuk. Niet grappig, veel te zwaar.” Heel even heeft hij toen getwijfeld of hij wel de juiste stap gezet had in z’n carrière. „Mijn regisseur vroeg: weet je zeker dat je het hierover wilt hebben?” Hij wist het zeker. „Slavernij is een heavy onderwerp”, dat weet hij. „Ik moest het behapbaar houden voor de mensen.” Hij heeft zijn show wat luchtiger gemaakt; met anekdotes over Expeditie Robinson, door af en toe op z’n Tilburgs moppen te tappen, en door zijn „persoonlijke verhaal” te vertellen.

Vrijheid na járen zeuren

Tot z’n vijfde woonde Steven Brunswijk in Suriname. Hij is een Marron, een „boscreool” noemt hij het zelf. De Marrons zijn de nakomelingen van Afrikanen die onder dwang door slavenhandelaars naar Suriname werden gehaald om te werken op de plantages. Gaandeweg bevrijdden slaafgemaakte Afrikanen zich, en vestigden zich in groepjes in de oerwouden van Suriname. „Wij spreken thuis Aukaans.” Een van de vijf Marron-talen. Wij waren, zegt hij, al in 1760 geen slaven meer. Hij roept naar zijn broer aan het tafeltje verderop om het jaartal te checken. Het klopt. „Dat is 103 jaar eerder dan de afschaffing van de slavernij.” Die datum – 1 juli 1863 – is de officiële herdenkingsdag. „Wij hebben onze vrijheid op eigen kracht afgedwongen.”

Ik werd uitgemaakt voor Uncle Tom, voor bounty. Ik zou geen goed beeld geven van de zwarte man

In de voorstelling vertelt hij over zijn moeder die toen de oorlog uitbrak in Suriname met vijf kinderen moest vluchten. Zijn vader is directe familie van Ronnie Brunswijk, de leider van het Junglecommando dat vocht tegen Desi Bouterse en zijn regeringsleger. „Tijdens onze vlucht heeft ze drie nachten over ons gewaakt in het oerwoud. Niet gegeten of geslapen.” Hij slaat op zijn borst. „Niet opgeven, doorzetten. Die power en die drive heb ik door haar.” Toen ze eindelijk de Marowijne-rivier konden oversteken naar Frans-Guyana, was er in het bootje maar plek voor twee kinderen, Steven en zijn jongere broertje. Drie kinderen bleven alleen achter. Ze kwamen pas een half jaar later aan in Nederland. Zijn vader was al eerder naar Nederland vertrokken om een bestaan op te bouwen voor zijn gezin, hij werkte bij een vleesverwerkingsbedrijf in Tilburg. „Hij zei tegen ons: leer niet alleen de taal van de mensen hier, leer ook hun dialect. Dan ken je de mensen echt.”

Niet heel diepgravend

Broer Eric komt met een vrouw van in de zeventig aan de hand naast Steven staan. Ze wil hem niet storen, giechelt ze, maar ze wil even zeggen hoe geweldig ze hem vindt in de reclame op televisie van Allsecur – een verzekeringsmaatschappij. Steven schakelt om naar het Brabants – „Da vinnik leuk” – en joelt „éénmaal brûin, dan loopte schûin”. De vrouw kraait en omhelst hem. „Typisch Brabants, hè, zegt hij zodra ze weg is. Hij merkt het verschil in de omgang ook in de zalen waar hij optreedt. „Wat is rood en het nét niet helemaal?” Hij wacht even en zegt dan: „Een bietje.” In Alphen of Doetinchem reageert het publiek timide. „Maar in Gilze-Rijen of Waalwijk is het meteen jánken.”

In zijn voorstelling laat Steven Brunswijk zijn torso met olie insmeren door een willekeurige vrouw uit het publiek. Daarna laat hij zich aan de man brengen door een willekeurige man. En als hij voldoende is aangeprijsd – ‘sterke man! brede schouders!’ – kopt hij in: „Zo ging het dus vroeger met de slaven echt.”

Heel hoogdravend theater is het niet, maar hij staat het toch maar mooi te vertellen in zalen vol mensen die misschien niet zitten te wachten op een zwarte man die hun de les leest. „Het is educatie. Soms ga ik de diepte in, maar dan zorg ik weer voor een lach als het te heavy wordt. Mensen zeggen na afloop: zo heb ik het nog nooit bekeken. Ik heb gelachen én wat geleerd.”

Wij Nederlanders weten niet zoveel van wat er buiten Nederland gebeurt, valt hem op. „De mindset is een beetje bekrompen.” Voorbeeldje. Hij heeft een DNA-test laten doen, bij een gespecialiseerd Amerikaans bedrijf. „Daaruit bleek dat ik honderd procent Afrikaans ben.” En wat zeggen mensen dan: „Dat dacht ik wel.” Waarop hij dan weer zegt: „Weet je wel hoe fokking groot Afrika is?” En dan draait hij het om. „Jij bent Europees. Oké. Maar wat ben je dan? Duits, Zweeds, Spaans? Dat maakt voor jou toch ook verschil?”

Das neue Weiss

Hij is voor 98 procent afkomstig uit Guinee-Bissau, West-Afrika. Hij kijkt trots als hij het zegt. Dat is hij ook, zegt hij. En die trots op zijn afkomst, familie en geschiedenis weeft hij door zijn hele show. Ja, zijn voorouders waren slaven, maar wel bétere slaven. Groter, gezonder en veel sterker dan de indianen die eerst tewerkgesteld werden op de Surinaamse suikerrietplantages. „De roodhuiden waren zwakkelingen, ze gingen bij bosjes dood”, zegt hij op het toneel. Ja, dat is ook racistisch, geeft hij toe, maar dat is meer bedoeld als grap. Die grote, sterke Afrikanen (ze kwamen uit verschillende landen langs de westkust) overmeesterden hun meesters. Ze roofden en moordden als het moest, geen witte man die de jungle in durfde om ze terug te halen. Eenmaal in Nederland integreerden de Surinamers het best van alle immigranten, en het CBS bestempelt hen als meest succesvolle niet-Westerse bevolkingsgroep.

Steven Brunswijk slaat zich weer op de borst. „Apartheid, slavernij, vluchten, racisme. Alles hebben wij overleefd. We are still here. Wij zijn de allersterksten.” En nog wat: „Wil iemand me aap noemen? Moet je vooral doen. Weet je hoe sterk een zilverruggorilla is?” Laatst werd hij gebeld door het Brabants Dagblad. Of hij de Efteling-attractie Monsieur Cannibale ook racistisch vond. Hij haalt zijn schouders op. „Kijk in Accra, in Mogadishu, in Rabbat. Heb je daar ooit een zwarte met een botje door zijn neus gezien?” Hoe kan hij ermee zitten als ánderen zo dom zijn dat ze zo denken? „Ik voel me niet aangesproken. Dat is het punt met racisme: ik vóel het niet zo.”

Lees ook: Tv-recensent Arjen Fortuin vond de Braboneger al grappiger als hij gewoon zijn eigen naam zou gebruiken

Had hij dan niet net zo goed Braboneger kunnen blijven? „Dat zeiden mijn mensen in het binnenland van Suriname ook. Die vonden de Braboneger top. Maar daar zit je tussen de donkere mensen, hier in Nederland ligt het toch anders.” Hier kreeg hij als Braboneger juist boze reacties van de zwarte gemeenschap. „Ik werd uitgemaakt voor Uncle Tom, voor bounty. Ik zou geen goed beeld geven van de zwarte man.”

Hij stelt nu een compleet andere zwarte man aan ons voor. Aan het eind van zijn voorstelling brult hij – met een Hitler-snor van wit duct tape – in het nep-Duits dat zwarten Übermenschen zijn. Ondertussen is het café in Den Bosch volgelopen met lunchende leden van de carnavalvereniging. Hij komt met gemak boven hun geroezemoes uit en herhaalt wat hij op het toneel zegt: „Schwarz ist das neue Weiss.” En in Alphen aan den Rijn vond het publiek dat grappig.