Aan de condoomrace wil niemand meedoen

Seksuele voorlichting In Zeeland volgen scholieren een lesprogramma over liefde en seks. Rode wangen en afgrijzen gegarandeerd.

Leerlingen van het Nehalennia tijdens de les over seksuele voorlichting.
Leerlingen van het Nehalennia tijdens de les over seksuele voorlichting. Foto Merlin Daleman

De eerste keer, daar moet je niet te veel over nadenken. „Net als met zwemles, als je voor het eerst door het gat zwemt”, zegt docent Ploneke Scholtsz. „Voel gewoon en geniet.”

Het gat bij zwemles roept meer herkenning op bij klas 2-vwo van de Nehalennia Stedelijke Scholengemeenschap in Middelburg dan de eerste keer waar Scholtsz het over heeft. „Dat kan ik écht niet!”, roept een jongen – over het zwemmen. De klas krijgt de vijfde en laatste les van het programma ‘Lang Leve de Liefde’ van Soa Aids Nederland en Rutgers, over seksualiteit en relaties. Vandaag gaat het over veilig vrijen en ‘hoe je het leuk houdt’ met de ander.

Aan bijna alle tweedeklassers in Zeeland worden die lessen gegeven, met dank aan een subsidie van drie grote gemeenten, vertelt GGD-jeugdverpleegkundige Tessa Goorsenberg. Zeeland is een uitzondering. Want veel scholen behandelen seksuele vorming slechts in een losse les of project, zag de Onderwijsinspectie in 2016, hoewel aandacht voor het onderwerp sinds 2012 verplicht is.

Zoenen is voor deze jongeren niet zo’n groot ding meer

„Het is belangrijk over liefde en seks te praten, maar ouders doen het vaak niet”, zegt Goorsenberg. „En leerlingen willen niet alles aan hun ouders kwijt.” Uit onderzoek blijkt dat wie jong goede seksuele vorming krijgt, op latere leeftijd veiliger vrijt. In hun lesboekje moeten de leerlingen aankruisen wat ze belangrijk vinden voor hun eerste keer. Dat je het zelf wilt, dat je de ander goed kent, dat je verliefd bent? Ze zitten in groepjes. „Moeten we hier een discussie over houden?”, giebelt een jongen.

Bij stellingen over seksueel overdraagbare ziekten moet er een rood of groen briefje omhoog. ‘De enige bescherming tegen een soa is een condoom’, luidt een stelling. „Ik denk dat er wel meer dingen zijn”, zegt een jongen die met rood wappert. „Je kunt ook een boterhamzakje gebruiken. Beter dan niks.”

Dan wijst Scholtsz naar de twee modelpenissen die voorin de klas op een tafel staan. „Ik heb hier twee stijve exemplaren”, zegt ze, nadat ze de jongens gerust heeft gesteld dat die van hen er niet zo hoeft uit te zien. „Ik wil graag een jongen en een meisje naar voren hebben.” Het is tijd voor de ‘condoomrace’.

De blikken gaan naar beneden en de wangen worden rood. „Je krijgt er geen cijfer voor!”, roept Scholtsz nog, maar niemand hapt. Dan maar aanwijzen.

Bij poging één krijgt het meisje de verpakking niet open, de jongen rolt het condoom snel om, maar die rolt weer omhoog. „Misschien moet je hem andersom doen”, oppert een klasgenoot. Poging twee gaat beter, al laat een (andere) jongen er lucht bij komen. Een meisje verricht zelfs „alle handelingen goed”.

„Ik vond het niet per se nodig als ik eerlijk ben”, zegt een meisje na afloop over de lessen. „We hadden dit ook bij biologie kunnen doen.” De jongen die een condoom moest omdoen, vond het „verschrikkelijk”, zegt hij. „Nu kan ik mijn pen niet meer vasthouden.”

    • Mirjam Remie