Recensie

Recensie Muziek

Bob Moses stelt teleur met handgewapper en gitaargeweld

Pop Paradiso was uitverkocht, maar het Canadese duo Bob Moses raakte geen snaar. De inwisselbare stadionrock van hun laatste album ‘Battle Lines’ mist de onderhuidse spanning van vroeger.

Bob Moses tijdens een optreden in Napa, Californië in 2018
Bob Moses tijdens een optreden in Napa, Californië in 2018 Foto Steve Jennings

De tijd dat Bob Moses in Trouw speelde is geweest. Niet alleen omdat de Amsterdamse club niet meer bestaat, ook omdat het Canadese duo dat bestaat uit singer-songwriter Tom Howie en toetsenist Jimmy Vallance de clubs wel is ontgroeid. De muzikanten die vanuit Brooklyn naam maakten met traag opbouwendehouse met rock-invloeden en poëtische tekstflarden mochten spelen in de talkshow van Ellen De Generes, werden genomineerd voor Grammy’s en stonden op grote festivals als Coachella en Glastonbury.

Maar als ze in een uitverkocht Paradiso openen met de eerste twee tracks van hun laatste album Battle Lines (2018), lijkt de druilerige meeslependheid van vroege hits als ‘Winter’s Song’ en ‘All in All’ te verdrinken in gitaar- en drumgeweld. Het duo presenteert zich met drummer en basgitarist nadrukkelijk als rockband en speelt de eerste drie kwartier bijna alleen nummers van dat laatste album.

De arrangementen zijn vlak en voorspelbaar. Geen gitaargejank of met veel bombarie aangekondigde drumroffel kan de creativiteit er weer inpompen. Waar blijven de ruimte, de melancholie, de opbouw en de mystiek van vroegere tracks die uitnodigden tot introspectie? Crooner Howie kan goed zingen, maar titeltrack ‘Battle Lines’ klinkt toch tam en ‘Too much is never enough’ begint hij vals, al komt het oudere ‘Days Gone By’ wel beter uit de verf met wat meer pit in de live versie. ‘Back Down’ (ook nieuw) klinkt als zoetsappige knuffelrock.

Het kantelmoment in de set lijkt ‘Enough to Believe’, waarop Bob Moses nog wel weet te doseren. Maar meteen daarna laat Howie bij zijn gitaar weer janken alsof hij Slash van Guns ’n Roses probeert te evenaren tijdens een stadionconcert. Het voelt bombastisch en opgelegd, net als zijn leren broek op half zeven, dat malle hoedje en het handgewapper dat Vallence met het publiek doet: van links naar rechts.

Het staartje van de show met daarin oude hits als ‘All I want’, inclusief trippy lichtvlekjes die als plasmacellen over de muren kriebelen en hun grootste hit ‘Grace’, redden de show. Die nummers hebben nog wel de onderhuidse spanning waar hun naam ooit synoniem aan was. Maar het nieuwe werk van Bob Moses voelt als inwisselbare stadionrock voor vroegoude indiefans.