Foto Xavier Lambours

‘Ik componeer om niet in de afgrond te vallen’

Interview Georges Aperghis is relatief onbekend in Nederland. Maar er lijkt een Aperghisiaanse Lente op handen: dit voorjaar is op verschillende plekken werk van de Grieks-Franse componist te horen. „Ik beleef muziek als een soort mentaal theater.

In het buitenland wordt hij tot de grote meneren van de avant-gardemuziek gerekend: de Frans-Griekse componist Georges Aperghis (1945). In opera’s en muziektheaterwerken als Pandaemonium (1973), Histoire de loups (1976), Avis de tempête (2004), het muzikale poppentheater Zeugen (2006) en de burleske opera Buffa Les Boulingrin (2010) onderzoekt hij steevast het grensgebied tussen muziek, taal en theater.

In Nederland bleef zijn werk lange tijd wat onder de radar. Maar dit voorjaar lijkt er zoiets als een Aperghisiaanse Lente op handen. Muziektheatercollectief Silbersee verwerkte diens Machinations (2000) in een voorstelling voor het Opera Forward Festival en bij zowel Asko|Schönberg als het Nieuw Ensemble verschijnt er de komende maanden Aperghis op de lessenaars.

Afgelopen najaar bracht rietkwintet Calefax nog het speciaal voor hen geschreven Wind Waves in première tijdens November Music. Wie het stuk terugluistert op Radio 4 hoort hoe de vijf blazers zuchten en puffen als één ademend klanklichaam. Soms breekt een instrument los in een kakelende solo, als een personage in een abstract toneelstuk.

„Ik zoek het niet bewust op”, zegt Georges Aperghis over de theatrale werking van zijn muziek. In zijn Parijse atelier laat zijn nog altijd Griekse tongval zijn medeklinkers percussief opvlammen in een mengelmoes van Frans en Engels. „Als ik naar muziek luister, hoor ik meer dan alleen melodie, ritme en harmonie. Ik beleef het als een soort mentaal theater. In een pianoconcert van Mozart vertelt de solist mij een verhaal. Beethovens strijkkwartetten zijn als conversaties voor me. Abstract weliswaar, maar toch.”

De analogie werkt ook andersom: „De ontdekking dat taal ten diepste muzikaal is, vormt een van mijn vroegste herinneringen. Ik was een jaar of zes en lag ziek in bed. In de kamer naast mij hoorde ik mijn vader en moeder praten. Wat ze zeiden kon ik niet verstaan, maar ik was gefascineerd door de intonatie en fraseringen van hun stemmen. Misschien was het de koorts, maar het was een beslissende ervaring.”

Silbersee’s Machinations, in Rotterdam 2009:

Het ouderlijk huis waar de kleine Georges ijlend zijn ouders afluisterde, stond in Athene. Hij groeide er op als zoon van een beeldhouwende vader en een schilderende moeder, in een smalle, onverharde straat niet ver van de Akropolis. De mediterrane heisa van alledag bood hem zijn eerste theaterervaringen: „Als kind vermaakte ik me uitstekend met het stilletjes observeren van de volwassenen. Hun onderlinge relaties, de rollen die ze speelden. Eigenlijk was het een groot openluchttoneel.”

Op zondagen lonkte de muziek en lag hij voor de radio te wachten op het uurtje van de klassieke zender. Mozart, Haydn en Beethoven. Ook Bach, Monteverdi en Palestrina. „Polyfonie was al vroeg een grote liefde”, zegt Aperghis. Omdat hij de gehoorde melodieën moeiteloos kon nazingen, vond zijn vader dat het tijd werd voor muziekles. Gelukkig bleek de buurvrouw een uitmuntend pianiste.

De genoten pianolessen komen goed van pas als Aperghis in 1963 (net achttien) naar Parijs vertrekt. Hij kent er niemand, heeft geen cent te makken en spreekt de taal nauwelijks. Om wat bij te verdienen, speelt hij in bars en nachtclubs. Bij de eveneens in Parijs neergestreken Griekse componist Iannis Xenakis laat hij zich bijspijkeren in de moderne muziek: serialisme, toevalsmuziek, statistisch berekende klankwolken - dat werk.

Het was ook in Parijs dat Aperghis zich soms weer dat koortsige jongetje voelde. „De eerste keren dat ik naar de bioscoop ging begreep ik er geen woord van. Desondanks vond ik het prachtig. Ik verzon mijn eigen verhalen bij de beelden en de intonatie van de dialogen. Voor mij was dat het paradijs: die vrijheid om te verdwalen in de klank van een taal.”

Calefax’ Wind Waves

Spel van klinkers en medeklinkers

Taal voorbij de betekenis, als muzikaal spel van klinkers en medeklinkers. Het werd in de loop der jaren tot een handelsmerk van Aperghis’ oeuvre. In zijn vocale werk laat hij tekst steevast verbrokkelen tot losse woorden en lettergrepen. Hij componeert met wat in de taalkunde fonemen worden genoemd: de elementaire klankdeeltjes van een taal, die zijn vastgelegd in het fonetisch alfabet.

Neem zijn Recitations (1978), veertien miniaturen voor solo vocalist, die met een onmogelijk gevarieerd scala aan stemtechnieken en expressies een heel gedetailleerd, uitgecomponeerd gebrabbel dient voort te brengen. In nummer vijf wordt een serie klanken (denk: ‘déf der vrai av’ en ‘mant ses xou a’) op moordend tempo en met logopedische precisie door elkaar gehusseld. Dat alles „vriendelijk fluisterend” en „zonder te stoppen om adem te halen”, zoals de partituur ietwat sadistisch voorschrijft.

In Machinations krijgen de absurdistische foneem-mixturen van vier zangeressen een elektronisch contrapunt. Fonetisch gebabbel, doorspekt met gezucht, gehijg en gesnuif, wordt computermatig gefilterd, verbogen en opgerekt. Een dramatische smeekbede in nonsenstaal gaat over in plechtig gereciteerde programmeercode, beschrijvingen van het schaakspel in filosofische bespiegelingen over de relatie tussen mens en computer. Ondertussen trekt op vier projectieschermen een kleine geschiedenis van de technologie voorbij: van rudimentaire artefacten als spiegeltjes en stenen tot de decodeermachines van de Britse codekraker Alan Turing.

„Technologie heeft me altijd geïntrigeerd”, zegt Aperghis, die in zijn jeugd de boeken van Jules Verne verslond. „Ik droomde over de Nautilus-onderzeeër van Kapitein Nemo en de Albatros van Robur de Veroveraar. Ik houd van het ongebreidelde optimisme dat erin doorklinkt, over het menselijk vermogen om problemen op te lossen door middel van super geavanceerde uitvindingen. Begrijp me goed, we moeten niet naïef zijn over de duistere keerzijde van technologie, maar ik verwonder me dagelijks over de ongekende de mogelijkheden ervan.”

Vraag Aperghis naar zijn componeerpraktijk en de technologische beeldspraken vliegen je derhalve om de oren: „Ik vergelijk componeren vaak met het ontwerpen van een machine”, vertelt hij, terwijl hij zijn werkkamer toont. In het midden een grote schrijftafel vol potloden, fine liners, muziekpapier en linialen in verschillende formaten. Aperghis: „In de eerste plaats moet zo’n machine je materiaal kunnen ordenen. Ze moet in staat zijn om uit de noten, de ritmes en de teksten die je erin stopt de muziek te produceren die je in je hoofd had. Maar als het goed is, begint ze op een gegeven moment ook haar eigen patronen te genereren.” Het is de kunst om je als componist niet te vroeg met dat proces te bemoeien, zegt hij: “Je moet de machine durven laten lopen, tot het moment dat je echt moet ingrijpen omdat je anders de controle verliest.”

Uit de klauwen

Dat een werk dusdanig uit de klauw kan lopen dat het zijn maker bijna verplettert, ervoer Aperghis tijdens het schrijven van Die Hamletmaschine (2000), een oratorium voor solisten, koor en ensemble waarin hij op de drempel van het nieuwe millennium de twintigste eeuw ten grave droeg op een gedicht van de Duitse toneelschrijver Heiner Müller.

Met een lengte van zo’n vijf pagina’s A4 lijkt de tekst op het eerste gezicht te overzien. Niettemin deed Aperghis er maanden over om zich een weg te banen door Müllers intertekstuele labyrint. Verwijzingen naar Shakespeare’s Hamlet, Sophocles’ Elektra en Antonin Artaud, gaan er hand in hand met bijtende tirades over het failliet van de grote twintigste-eeuwse ideologieën.

„Het bestuderen van die tekst is een van de moeilijkste dingen uit mijn leven geweest. Ik werd er letterlijk ziek van. Niet alleen vanwege de complexiteit, maar ook vanwege het duistere cynisme. Die tekst is als vitriool. De woorden vraten aan me en Ik kwam muurvast te zitten.”

Retrouvailles, van Aperghis:

Ironisch genoeg is de verlamming die zich van hem meester maakte een van de belangrijkste thema’s van Die Hamletmaschine. Aperghis: „Müller gebruikt Hamlets dilemma, ‘to be or not to be’, als een politieke metafoor. Hamlet staat voor een belangrijke keuze, maar het lukt hem niet om te handelen. Eenzelfde besluiteloosheid is een van de grote problemen van het naoorlogse Europa. Ook nu nog. We kampen met enorme problemen: een klimaatcrisis, een migratiecrisis, een nieuwe economische crisis is in de maak. En toch blijkt de politiek niet in staat om keuzes te maken. In die zin is Die Hamletmaschine onverminderd actueel.”

Wie eind april een kijkje gaat nemen bij Asko|Schönberg doet er goed aan om Müllers gedicht op voorhand even door te lezen. Want zo labyrintisch als de schrijver te werk gaat, zo hoog stapelt Aperghis de tekstfragmenten op in meervoudig gelaagde spreekkoren en hoogpolige zangweefsels. Bovendien in afwisselend in Duits en Frans.

„Uiteindelijk blijf ik toch een polyfonist en hart en nieren”, zegt de componist. „Voor mij voelt het als een grote vergissing om lang eenstemmig te schrijven. Ik bedoel: het leven is polyfoon. Er bestaat geen overkoepelende harmonie. De werkelijkheid is een enorme chaotische interactie van ontelbare fragmenten.”

„In wezen is dat een van de grote vragen van mijn werk: ‘hoe kan ik de chaos zo componeren dat het publiek er net niet in verdwaalt?’ En eigenlijk geldt dat ook voor mezelf. Ik componeer om niet in de afgrond te vallen.”