Recensie

Gezwoeg in de dansoersoep op festival Cadance

Dans Over de vloer kronkelende lichamen zijn nog altijd een geliefd motief bij (jonge) dansmakers in Nederland, blijkt op Cadance.

Beeld uit de voorstelling ‘Fields’ van Astrid Boons.
Beeld uit de voorstelling ‘Fields’ van Astrid Boons. Foto Joris-Jan Bos

Tachtig is het nieuwe vijftig, groen het nieuwe zwart en Cadance is het nieuwe Springdance van weleer. Dat laatste zou je althans kunnen denken, afgaand op de vele over de vloer kronkelende lichamen tijdens het Haagse festival voor hedendaagse dans. Kennelijk is dat gezwoeg in de dansoersoep nog altijd een geliefd motief bij (jonge) dansmakers in Nederland, vaak als startpunt voor een choreografie (spoiler alert: aan het eind staat iedereen. Of ze liggen weer, kan ook).

Waar het bij sommigen een stoplap lijkt, vormt het in het kwartet Fields de hoofdmoot. Astrid Boons schildert in een kale ruimte het gevecht van het lichaam om zich los te scheuren uit de eenheid met de fysieke omgeving, een eigen werkelijkheid te zoeken als een eindeloze strijd van krachten en tegenkrachten. De eerste stap duurt het langst: danseres Carolina Mancuso komt onder toeziend oog van de drie anderen tergend langzaam tevoorschijn uit een rekbaar (geboorte-)vlies. Telkens markeert een aanrollend crescendo gevolgd door een black-out verandering. Zo wordt in een deel een man als slappe pop meegetorst of wordt telkens één door de kluitende groep opgetild.

Boons’ achterliggende idee van lichamen als versmeltende en transformerende energievelden valt wel te volgen, en haar bijna monomane aanpak is gedurfd. Een uur van dit laborieuze getob is echter te lang. En biedt het een opmerkelijk of origineel perspectief op mens, lichaam of dans?

Stephen Shropshire, vorig jaar de winnaar van de Zwaan voor We are nowhere else but here, levert een van de meest dansante en technische bijdragen aan Cadance. De driehoeksverhouding in Cantata heeft een minder sterk concept dan zijn bekroonde duet, maar de choreograaf geeft het thema van een relatie onder druk intelligent vorm. Zo speelt hij energetische niveaus, waardoor het lijkt of leeftijdsverschil een factor is. Bachs cantate Ich habe genug lijkt daar ook op te wijzen.

Jussi Nousiainen observeert (na zijn ‘rupsende’ opkomst) hoe de in zichzelf gekeerde Aimee Lagrange helder en afgemeten beweegt, met extreme posities en strakke lijnen. Hij volgt haar, maar zonder haar energie en extremen, zachter en ronder. Bij vlagen bewegen ze synchroon.

Met de opkomst van Ivan Montis lijkt de vrouw te ontwaken en wordt het tempo opgeschroefd. Aanvankelijk trekt Nousiainen zich terug, vervolgens bestuurt hij Montis als een marionet, alsof Lagrange bij alles wat ze in haar nieuwe relatie doet altijd hem, haar vorige geliefde, in herinnering meedraagt. Of ze uiteindelijk van elkaar loskomen, laat Shropshire wijselijk in het midden.

Onnavolgbaar is The Protagonist van Dunja Jocic, de dolle nachtmerrie (mét gekronkel over de vloer) van een narcistische socialemediajunkie die cold turkey wil gaan. Cyberwijsheden en -bijgeloof vliegen je om de oren, de hoofdpersoon loopt vast in een knipoog-gifje, Mary Tudor aka Bloody Mary komt langs, evenals andere celebs in memes. En multi-instrumentalist en componist Harry de Wit niet te vergeten, die een sterk geluidsdecor creëert.

Vermakelijk is het zeker, en Jocic is – net als haar leermeesters Guy & Roni – een prettig alternatieve stem in het Nederlandse dansveld. Maar zoveel losse lijntjes maken geen voorstelling.

    • Francine van der Wiel