Recensie

Recensie Muziek

Gedreven uitvoering van Vivaldi’s ‘L’Olimpiade’

Klassiek Onder leiding van dirigent Andrea Marcon speelde barokorkest La Cetra Vivaldi’s ‘L’Olimpiade’ in de ZaterdagMatinee van het Concertgebouw in Amsterdam. Ontdekking van de middag: de Russische mezzo Anna Aglatova.

Andrea Marcon.
Andrea Marcon. Foto Marco Borggreve

De afgelopen twee weken bivakkeerden ze met het Vivaldi-oratorium Juditha triumphans in de bak van De Nationale Opera: dirigent Andrea Marcon en zijn barokorkest La Cetra. Om het af te leren wapperde het gezelschap dit weekend nog even langs bij de ZaterdagMatinee. Op het programma andermaal Vivaldi, maar nu diens opera L’Olimpiade, die onder Marcon een gedreven concertante uitvoering kreeg. Meteen in de ouverture zette hij de toon met scherpe dynamische contrasten, striemende bassen en explosief strijkerswerk.

L’Olimpiade: hoewel de opera uit 1734 zich afspeelt tegen het decor van de antieke Olympische Spelen, blijven het speerwerpen en olieworstelen achterwege in de drieakter. In plaats daarvan spitsen Vivaldi en zijn librettist Metastasio de handeling toe op de vrienden Licida en Megacle die beiden een oogje hebben op de mooie prinses Aristea. Bonje gegarandeerd, maar naar goed barok gebruik na een reeks vermommingen, een zelfmoordpoging en de plotselinge terugkeer van een lang verloren koningszoon alles koek en ei.

Tussen de 22 aria’s die de opera rijk is, zitten pareltjes als ‘Mentre dormi’ en ‘Amor formenti’, een sereen sluimerlied waarin Vivaldi met uitgesponnen hoorntonen pastorale sferen opzoekt. Met langgerekte crescendo’s en loepzuiver wegstervende hoge noten stond countertenor Carlos Mena (Licida) garant voor een fenomenale vertolking.

Dat ook het meer onstuimige werk hem ligt, liet Mena horen in een expressief gezongen ‘Gemo in un punto’, waarin hij razendsnel heen en weer schoot tussen ijzingwekkend hoog en smeulend laag.

Jammer dat de rol van Megacle een wat blekere invulling kreeg. De Australische countertenor David Hansen had aanmerkelijk minder volume en kampte met een nogal wollige articulatie. In het liefdesduet ‘Ne’ giorni tuoi felici’ stond hij echter glansrijk zijn mannetje naast mezzo Vasilisa Berzhanskaya (Aristea), die haar technisch veeleisende primadonna-rol indrukwekkend gestalte gaf.

Met haar smeulende altstem portretteerde Federica Carnevale een pislinke, bij vlagen aandoenlijke versie van de bedonderde geliefde Argene. De robuuste bas José Coca Loza bleek als koning Clistene over zowel een imposante laagte als wendbare hohoho-lijntjes beschikken.

De ontdekking van de middag was toch wel de Russische mezzosopraan Anna Aglatova (Aminta). Met haar versies van ‘Il fidarsi della speme’ (sereen aanzwellende lijnen), ‘Siam navi’ (razende coloraturen) en ‘Son qual per mare Ignoto’ (laaiende hoge uithalen) kreeg zij de Grote Zaal van het Concertgebouw tot drie keer toe aan haar voeten.