Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Briefjes

Bij mijn moeder was vasculaire dementie en beginnende alzheimer geconstateerd. Twee slag uit. Ze had volgens mijn zus korzelig op de diagnose gereageerd. Met mij had ze het er verder niet over. Ze belde wel meerdere keren met de mededeling dat ze mijn verjaardag niet was vergeten. Om haar ervan te weerhouden om met het openbaar vervoer naar Wormer te komen gingen we dit weekeinde naar Velp.

We troffen haar staand bij de salontafel, waarop ze met een collage van gele post-it-briefjes haar leven behapbaar houdt. Nu ze officieel dingen mocht vergeten deed ze nadrukkelijk haar best te laten zien dat niets haar ontging. Ze zei een paar keer dat ze niet was vergeten om taart te halen.

Vanwege ons en de slagroomtaart verplaatste ze de briefjes een voor een van de salon- naar de keukentafel.

Daarna ging ze theezetten.

Daar zaten ze dan.

Ik onderuit op de bank, de vriendin met de oudste op de grond en zij met haar jongste kleinkind op schoot. Ze bleef maar voorlezen uit De Gelderlander waarin toevallig een interview met schrijfster Nicci Gerrard (de ene helft van het thriller-schrijvers-duo Nicci French) stond die een vader met alzheimer had.

Ze had hem vlak voor zijn dood nog meegenomen naar Zweden.

Mijn moeder: „Dat wil ik niet! Verschrikkelijk, daar ga ik niet mee naar toe. Koud, bah.”

Ik zei dat ze bij De Gelderlander al best ver waren met algoritmes, omdat ze al eerder van haar ziekte wisten dan zij zelf.

Zij: „Ik lees dat ik aandacht nodig blijf hebben. Het contact met de buitenwereld is het belangrijkste.” Ze wees naar de nieuwe klok die aangaf welke dag het is en naar al die briefjes.

„Ik red me nog prima. Ik blijf gewoon hier. Er verandert niets.”

Ik zei dat ze me een dag eerder had gebeld met de vraag of ik naar beneden wilde komen om te eten terwijl ik honderd kilometer verderop in mijn eigen huis was.

Zij: „Maar ik hoorde je wel!”

Ik: „Maar ik was er niet.”

Zij: „Wie hoorde ik dan?”

Ze was even stil en zei daarna bijna triomfantelijk dat het waarschijnlijk een hulpverlener was want daarvan had ze er de laatste tijd te veel.

„Op een gegeven moment twee tegelijkertijd, verschrikkelijk. En maar bloedprikken, ik zei: ‘eerst jij, en dan jij’. Straks heb ik geen bloed meer over.”

Ze was blij dat ze binnenkort een zorgmanager krijgt.

„Ik heb het genoteerd, hij komt zich binnenkort voorstellen.”

Ze liep naar de tafel, schoof en ritselde wat en hield even later triomfantelijk een briefje omhoog.

„Hij komt donderdag.”

De toestand was zorgwekkend, maar niet hopeloos.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen