Gps-tracking, familie-WhatsApp en Magister: kinderen worden beperkt in hun vrijheid

Meegluren Veel ouders houden hun kind digitaal constant in de gaten. Zo wordt kattenkwaad uithalen steeds moeilijker, is dat nou opvoeden?

Illustratie Kwennie Cheng

Mijn ouders waren er heel duidelijk over: je blijft binnen het rondje van straten direct rondom het huis. Op roepafstand. En daar trok ik me dan natuurlijk niks van aan. Ik ging rondhangen op de skatebaan, die ver buiten het rondje lag. Ik ging fikkie stoken, schoot met blaaspijpen vol besjes op rijdende auto’s, bouwde stiekem een hut naast de spoorbaan, raakte regelmatig verdwaald in andere buurten. Jatte weleens fireballs uit de Jamin.

Dat was in de jaren 90. Als ik in deze tijd was opgegroeid, was dat een stuk ingewikkelder geweest. Uit onderzoek onder ruim duizend ouders van het Nederlandse kennisplatform ECP bleek afgelopen week dat eenvijfde de gps-functie van de smartphone van hun kinderen actief gebruikt om ze te volgen. Nog eens een kwart overweegt om dat te doen. En naast de gps-functie van smartphones zijn er volop gps-tags en -horloges te koop voor kinderen, soms zelfs met meegluurcamera’s, microfoons en luidsprekers zodat de ouders op elk moment kunnen meeluisteren en hun kind kunnen toespreken.

„Nederlandse ouders worden steeds beter in internetopvoeding”, concludeerde het ECP uit het onderzoek, waaruit ook naar voren kwam dat steeds meer ouders meekijken op de telefoon en sociale media om zaken als internetpesten en grooming te signaleren.

Maar wordt de opvoeding echt beter? Of vooral strenger en meer gecontroleerd? En is ongecontroleerd op je bek gaan en weer opstaan niet een essentieel onderdeel van opgroeien?

Het recht om te verdwalen leerde mij juist om de weg terug te vinden – nog steeds weleens trouwens. Maar die mogelijkheid is snel aan het verdwijnen en wordt steeds meer vervangen door algoritmes, controle en constante surveillance.

De mogelijkheden om kinderen te volgen zijn er volop. Via de familie-WhatsApp kunnen ouders sowieso de hele tijd vragen waar hun kroost is. De blauwe vinkjes die verraden dat een bericht is gelezen, zijn genadeloos. En zelfs als ze op school zijn, buiten het zicht van hun ouders, is er altijd nog het digitale systeem Magister, dat ouders pushberichten stuurt als hun kinderen onvoldoendes halen of spijbelen.

Lees ook de column van techredacteur Marc Hijink over leerlingsvolgsystemen: Laat je kind ook eens blunderen

„Door al deze nieuwe technologieën dreigen we controle te verwarren met zorg”, zegt techniekfilosoof Katleen Gabriels. Zij doet onderzoek naar de ethische aspecten van surveillancetechnologie aan Maastricht University. „Controle is bepaald niet hetzelfde als liefdevol opvoeden natuurlijk”, vindt ze. „Verdwalen en jezelf daaruit halen is ook een ervaring om van te leren en zelfstandiger te worden.”

Ook Kinderombudsman Margrite Kalverboer zette vorig jaar kanttekeningen bij al te strikte controle van kinderen met digitale systemen. „Ouders mogen ook niet zomaar in het dagboek van hun kinderen kijken of de slaapkamer binnenlopen. Dat is een kinderrecht”, zei ze in een interview met Trouw. Bovendien: een dagboek kan je nog verscheuren of weggooien, digitale sporen zijn vaak onuitwisbaar.

Goed gedrag is geen keuze meer

Dat constante surveillance implicaties heeft voor de morele ontwikkeling van kinderen wordt al langer vastgesteld. De Canadese filosoof Ian Kerr vergelijkt het in zijn betoog Digital Locks and the Automation of Virtue uit 2010 met winkelwagentjes die automatisch blokkeren als je te ver weg rijdt bij de supermarkt. Dan kún je niet eens besluiten dat je het boodschappenkarretje netjes terugbrengt, of juist niet.

Die keuze wordt voor je gemaakt, waardoor je nooit leert dat goed gedrag een keuze is. Datzelfde gebeurt wanneer ouders in apps van gps-horloges en -trackers gebieden instellen die verboden toegang zijn (dat kan bij sommige). Dat ding was dus gaan piepen elke keer als ik buiten het rondje straten rond ons huis zou komen. Dan zou ik niet eens zelfstandig kúnnen kiezen voor gehoorzaamheid. Of juist voor ongehoorzaamheid en fikkie stoken.

Natuurlijk: op een druk strand kan het handig zijn om kinderen goed in de gaten te houden en daar kan een gps-horloge uitkomst bieden. Net zoals wanneer ze in het donker alleen naar huis fietsen. Een kind van drie vereist meer monitoring dan een puber van vijftien.

En de grens tussen kattenkwaad en kleine criminaliteit is niet altijd even duidelijk. Ik heb ook wel eens een papierbak in de hens gezet op één van mijn struintochten; dat was misschien niet per se nodig voor mijn ontwikkeling tot autonome volwassene. Maar een straf bij Bureau Halt leerde mij meer dan een vermanend piepje of een blikkerige stem van mijn moeder uit een gps-horloge ooit had kunnen doen.

Uiteindelijk is het doel van opvoeden toch enige mate van zelfstandigheid en autonomie. En juist die zelfstandigheid en autonomie staan de laatste jaren sowieso al onder druk. Studenten blijven bijvoorbeeld vaker thuis wonen dan vroeger. In 2010 was dit 14 procent, nu is het 18 procent, bleek onlangs uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Dat heeft allerlei verschillende oorzaken, waaronder ook zeker economische. Maar de stijging van het aantal thuiswoners loopt parallel aan de opkomst van nieuwe technologische mogelijkheden om altijd een oogje in het zeil te houden. Die gloednieuwe digitale leiband staat misschien wel te strak afgesteld.

Te dicht op elkaars lip

We zitten dankzij nieuwe technologie in elk geval steeds langer en dichter op elkaars lip, volgens techniekfilosoof Katleen Gabriels. En dat kan een gezonde ouder-kindrelatie dwarsbomen, denkt zij: „Om tot een betekenisvolle en ethische relatie te komen, moet er sprake zijn van voldoende afstand tussen het ‘zelf’ en de ander”, zegt ze. „Volgtechnieken kunnen die grens overschrijden, waardoor je in een situatie komt van te grote nabijheid, aangejaagd door overdreven angsten en verkeerde aannames over wat het betekent om een goede ouder te zijn.”

Wat is het effect op de ontwikkeling van kinderen op lange termijn? Daarover is nog maar weinig grootschalig onderzoek gedaan. Er zijn ook ontwikkelingspsychologen die denken dat het wel mee zal vallen. Hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles van de VU, die veel publiceert over het puberbrein, wijst er in zijn werk juist op dat kinderen óók controle nodig hebben. Ze hebben volgens hem „structuur, sturing en gerichte inspiratie” vanuit hun omgeving nodig. Bij te veel vrijheid wordt het kind te weinig geïnspireerd en doet het „onvoldoende brede ervaringen” op. De perfecte mate van vrijheid en controle verschilt nogal per kind.

En misschien lossen kinderen het zelf op. Nieuwe technieken zorgen ook voor nieuwe creativiteit in kattenkwaad. Je geeft je gps-horloge aan een vriendje dat in de buurt blijft, of zegt gewoon dat de batterij van je smartphone leeg is. Er zijn nog steeds manieren om te ontsnappen aan ouderlijk toezicht, al wordt dat wel moeilijker.

Zeker is dat ik daar zelf vroeger veel minder moeite voor hoefde te doen. Verdwalen en stout zijn zorgden voor mijn levendigste herinneringen, én de pijnlijkste leermomenten. Als ik wel constant digitaal gemonitord was, had het de Jamin best wat fireball-omzet gescheeld, de gemeente een zwartgeblakerde papierbak en mijn ouders flink wat kopzorgen. Maar opgroeien met vallen en opstaan, verdwalen en de weg weer terugvinden, is nou eenmaal niet te vatten in een algoritme.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Wouter van Noort