Opinie

Woedend water smeekt om ingenieurs

Waterschappen Om de waterschappen te leiden hebben we ingenieurs nodig. Geen knalgroene antroposofen, schrijft .

Illustratie Nanne Meulendijks

Als de radio een zware storm aankondigde, nam mijn vader het gezin mee in zijn Mercedes Benz 190D en reden we langs Nieuwolda, Heveskes en Farmsum naar de haven van Delfzijl. We stapten uit en beklommen de hoge dijk. Storm – dat was een sensatie, die bulderende wind, dat woedende water. Na een half uur reden we rustig terug.

Op het gymnasium in Winschoten kreeg ik geschiedenisles over de eeuwige strijd tegen het water. De Afsluitdijk in 1932, de Watersnoodramp van 1953, het Deltaplan. Maar nooit hoorde ik iets over de noordwesterstorm die in de nacht van 24 op 25 december 1717 de Groninger dijken kapot beukte en het land overspoelde. De bewoners werden in hun slaap verrast en meegesleurd door het ijskoude water. Er vielen 2.267 slachtoffers. Huizen en boerderijen werden vernield, akkers verwoest en hele veestapels verdronken: 11.601 koeien, 3.206 paarden, 1.302 varkens en 21.293 schapen.

De lijken en de kadavers dreven in het water. De stank was weerzinwekkend. „Terwijlen de menschen de verdronkene beesten aeten”, schreef de provinciale commies.

Deze ‘Kerstvloed’ maakte meer slachtoffers dan de Watersnoodramp, op een bevolking van nog geen twee miljoen. Tot overmaat van ramp kwam er een strenge vorst, daarna volgde een hete zomer – de gore poelen van achtergebleven water werden een broeinest voor de malariamug.

De plaatselijke dominees zagen de stormvloed als een straf van God voor het zondige gedrag van de mens. Ze kwelden de gelovigen op rijm: „’t Is God die wind en waterstroomen/ Tot zyne roede heeft genomen.”

De mensen die de verschrikkingen hadden overleefd, moesten hun leven beteren en veel bidden. Gelukkig is er nu een hoge dijk bij Delfzijl. Dankzij het waterschap.

Lees ook: Als er waterschapsverkiezingen worden gehouden, weet niemand waar dat eigenlijk over gaat

Waterschapsbelasting

Op woensdag 20 maart zijn er waterschapsverkiezingen, tegelijk met de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Waar gaan de waterschapsverkiezingen over? Over politiek? Over de zeedijken? Over het klimaat? Over sloten, kanalen en rivieren? Over de rioolwaterzuiveringsinstallatie? Over de dijkgraaf en de muskusrat? En waarom moeten wij elk jaar waterschapsbelasting betalen? Als laatste een quizvraag: welke partij won de waterschapsverkiezingen van 2015?

Maar allereerst: waar komen die waterschappen vandaan? Ooit waren er geen dijken, geen zeedijken en geen rivierdijken – laat staan onze reusachtige dijken met een dwarsprofiel van buitenteen, kreukelberm, talud, kruin en hiel. In het noorden overstroomde de zee het land via uitgesleten zeegaten en kreken. De vroege bewoners bouwden terpen op de klei. Achter de duinenrij van ‘Holland’ lagen de veenmoerassen. Door de ontginning van dit onmetelijke veen daalde de bodem en werd het gebied kwetsbaar bij stormvloeden. Hier werden rond 1100 de eerste dijken aangelegd. Een meter. Anderhalve meter. Zo ontstonden de veenpolders.

In het midden van dit moerassige gebied, in de prille stad Utrecht, werd in 1122 het eerste waterschap opgericht. Het waren trage tijden: ruim een eeuw later werd op initiatief van graaf Willem II een tweede waterschap opgericht.

De tijd was traag maar wel ongemeen heftig. De landkaart zag er anders uit. Een deel van de Waddeneilanden behoorde tot het vasteland en in het hart van Nederland lag het binnenmeer Almere. Totdat de Allerheiligenvloed van 1 november 1170 het noordwesten openscheurde: Texel en Wieringen werden eilanden, het land tussen Enkhuizen en Stavoren verdween in de golven en de Noordzee overweldigde het Almere: zo is de Zuiderzee ontstaan.

Nederland bestond niet

Zo’n tijd was het waarin de beginnende waterschappen aan de slag gingen. Er was in de verste verte nog geen vaderland te bekennen, geen parlement, geen provinciale staten. Nederland bestond niet.

De waterschappen droegen zorg voor de dijken en de afwatering. Ze vormden een bestuur dat gekozen werd uit kringen van nieuwe grondbezitters, adellijke families, oude kloosters en opkomende steden. Voorzitter van het bestuur werd de afgevaardigde van de graaf: de ‘dijkgraaf’.

Het was een begin van democratie. Het ziet er misschien wat grafelijk uit, maar in de lage landen kon de adel niet overheersen. Het zompige land was ongeschikt om, volgens het feodale stelsel, in leen te geven aan leenmannen. De grond moest veroverd worden in de strijd tegen het water, tezamen met vrije boeren, vrije burgers en vrije kooplieden.

In het westen ontstonden honderden polders. De zorg voor dijk en afwatering was een algemeen belang dat dwong tot samenwerking. Er waren meningsverschillen en conflicten, uiteenlopende belangen en harde koppen, maar er moest en zou een praktische oplossing komen. Polderen – de oorsprong van het poldermodel. Zo ontwikkelden de waterschappen zich tot onze oudste democratische instelling. En in die lange eeuwen ontstond het idee dat het land maakbaar was. Dijk na dijk.

Na de Watersnood van 1953 is de waterschapswereld grondig veranderd. Toen waren er nog 2.651 waterschappen, nu zijn er 21. Toen was hun belastingopbrengst 20 miljoen gulden, nu 2.800 miljoen euro. De taken zijn veel uitgebreider en intensiever geworden.

Lees ook: Waterschapsbelasting zal stijgen vanwege de droogte

Wij betalen waterschapsbelasting voor de drie huidige taken van het waterschap: veilige dijken, schoon water, voldoende water.

Veilige dijken, dat is de eerste taak van de waterschappen. Dijken langs de zee en langs rivieren, kanalen en beken. Het waterschap Noorderzijlvest werkt nu – samen met Rijkswaterstaat en onder regie van de Deltacommissaris – aan de verbetering van twaalf kilometer van de lange Groninger zeedijk bij Delfzijl: hoger, sterker en breder. Dan is de dijk volgens de nieuwe normen van het Deltaprogramma bestand tegen klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en aardbevingen. Het dijklichaam kreeg te maken met de nieuwste intensive care van de ingenieurs: waterspanningmeters en peilbuizen, sensoren die verzakking, vervorming, hoekverandering, trilling en temperatuurverschil waarnemen, een mobiele radar die het vocht meet en een satelliet die de hoogtes meet.

Ten tijde van de Kerstvloed was de dijk zo’n twee tot drie meter hoog. Nu is de grote baggeraar aan de gang: 900.000 kuub zand, 500.000 kuub klei, 60.000 kuub asfalt. De dijk bij Delfzijl wordt tien meter hoog.

Frituurvet en cocaïne

Schoon water is de tweede taak. Elke dag reinigen de waterschappen het vele afvalwater in hun 325 rioolwaterzuiveringsinstallaties: het water dat via gootsteen, wc en doucheputje naar het riool gaat, ook regenwater via regenpijpen langs het huis en putjes op straat. Dat betekent poep en pies, toiletpapier, bladeren en zand en verder de hele rataplan van zeepresten, vochtige doekjes, medicijnen en mobiele telefoons – en dan nog frituurvet, pesticiden, plastic, goudvissen en restanten van cocaïne.

Wie het stroomgebied van waterschap De Dommel in het oosten van Brabant op een waterkaart ziet, wordt verrast door de vele geulen, stromen, kanalen, tochten en beken, die als aderen door het land stromen: Diepe Leij, Tongelreep, Eindhovens Kanaal, Spruitenstroompje, Ekkersrijt, Keersop. In dit gebied staan acht rioolwaterzuiveringsinstallaties. De grootste staat in Eindhoven. Daar arriveert 6 miljoen liter rioolwater per uur. In het roostergebouw gaat het door een staafrooster die het grofvuil opvangt, bijeen harkt en afvoert. Dan komt de zandvanger, de voorbezinktank – diepte 3,5 m, diameter 47 m – en dan de biologische tank met de gekste bacteriën en andere organismen, van ciliaten, flagellaten en amoeben tot de nematoden. Aan het eind staat de nabezinktank. De boel is afgehandeld.

In 1950 – dat is nog kort geleden – loosde Eindhoven alle viezigheid van het riool rechtstreeks in de Dommel. Nu wordt het water gezuiverd. Het klinkt eenvoudig maar het is een groot werk van vooruitgang. Dankzij de ingenieurs.

Voldoende water is de derde taak: het regelen van aanvoer en afvoer via sluizen en gemalen. Voor tijden van langdurige droogte, zoals in de afgelopen zomer, liggen er gedetailleerde draaiboeken klaar. En voor heftige buien – zoals de megabui van 150 millimeter in Kopenhagen in 2011, schade één miljard euro – moeten de steden worden aangepast met waterpleinen en met groen voor steen.

De muskusrat

Onverwacht kwam er nog een vijand bij in de strijd tegen het water: de muskusrat. Dit knaagdier was een nieuwkomer uit Noord-Amerika. In 1905 bracht de Oostenrijkse graaf Josef Colloredo-Mannsfeld drie paar muskusratten mee van een jachtreis in Alaska. Hij liet ze los in vijvers op zijn landgoed bij Praag. Tien jaar later werd hun aantal geschat op twee miljoen. In 1941 werd de eerste muskusrat in Nederland gesignaleerd.

De muskusrat voelt zich thuis in dit waterland. Hij graaft meterslange gangenstelsels met ruime nestkamers – 50 cm breed en 30 hoog – in dijken, oevers en kades. Het dier kan goed graven en zich voortplanten, maar dit gedol vormt een gevaar voor de dijken.

Kijk naar: de rattenvanger van Groningen

Vanaf de jaren zestig begon de bestrijding van de muskusrat. Nu werken er vierhonderd rattenvangers bij de waterschappen. Vijftien jaar geleden werden er zo’n 350.000 dieren gevangen. In 2015: 88.650, in 2018: 53.511. De populatie neemt af maar het is een taaie strijd.

De Partij voor de Dieren is tegen de rattenvangerij. Het is beter om de nestbouw te beperken ‘door een duurzame en diervriendelijke versterking van onze dijken’.

De partij heeft geen benul van kilometers.

Waar gaan de waterschapsverkiezingen over? Iedereen is voor veilige dijken. En schoon en voldoende water is ook vanzelfsprekend geworden. In de lokale wereld van Salland zijn er 650 vrijwillige dijkwachters die op een rustige dag een ‘dijkentraining’ krijgen om paraat te zijn bij storm en hoogwater. Ze lopen langs de IJssel, de Vecht en de Soestwetering en controleren de dijken op wildschade, zand mee voerende wellen en grote drijvende voorwerpen. Daar komt geen politiek bij kijken.

Niet bij de provincies

Er is eerder een discussie geweest om de taken van het waterschap onder te brengen bij de provincies. Dat was geen goed idee. De waterschappen zijn gebaat bij een eigen domein en eigen belastingheffing, want hun verantwoordelijkheden gaan over een lange termijn. Die moeten niet concurreren met belangen van de korte termijn in de provincie.

Lees ook: dit interview met de langstzittende dijkgraaf van Nederland

De laatste twee waterschapsverkiezingen waren in 2008 en 2015. Het was voor het eerst dat er op partijen werd gestemd in plaats van op personen. Het CDA werd twee keer tweede, VVD en PvdA werden wisselend derde en vierde. Maar de verkiezingen werden beide keren gewonnen door een partij – de quizvraag – die in de media vrijwel onbekend is en die door NRC de afgelopen elf jaar slechts vier keer zijdelings wordt genoemd: Water Natuurlijk, ‘De groene stem in de waterschappen’.

Het is een ‘onafhankelijke waterschapspartij’, die in 2008 is opgericht door enkele natuur- en recreatieorganisaties en die wordt gesteund door GroenLinks en D66 en door milieugroepen en buitensportverenigingen, waaronder de goed georganiseerde hengelsporters – reden voor de Partij voor de Dieren om niet mee te doen.

Het landelijk bestuur bestaat uit zes leden, de helft GroenLinks en D66, één ex-SP-er, één hengelaar én een verrassende voorzitter die we tegenkomen in een artikel van Chris Aalberts op The Post Online. In november bezocht hij de Kompaszaal in Amsterdam, waar de partij haar tienjarig bestaan vierde.

Knalgroene infiltratie

Sinds anderhalve week blijkt Water Natuurlijk een nieuwe voorzitter te hebben: Bart Jan Krouwel. „Hij is door Antoinette – zijn buurvrouw – gevraagd om voorzitter te worden. Hij kent Water Natuurlijk eigenlijk niet maar vindt de mensen hier wel erg leuk.” Maar Marjan Minnesma kent hij wél, het boegbeeld van Urgenda, de organisatie die een rechtszaak tegen de Staat aanspande en won om meer aan het klimaat te doen. „Marjan komt vandaag over het klimaat vertellen.”

Krouwel is afkomstig uit de Rabo-stal van Herman Wijffels. Hij is antroposoof en was de eerste directeur van de Triodos Bank. Voor hem is er maar één vorm van landbouw: de biologische.

Via de kruiwagen van een knullige partij die onopgemerkt al twee keer de verkiezingen won, wordt dit een knalgroene infiltratie van het bestuur van de waterschappen, een aanval op de ingenieursmentaliteit die vanouds de kracht uitmaakt van dit unieke instituut. Er staat iets op het spel bij deze verkiezingen.

Het laatste woord is aan de dichter C.O. Jellema die lang op het Groninger Hogeland woonde, dichtbij de dijk, dichtbij de zee: „Een dijk besluit wat wereld is.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.