Recensie

Wetenschap met een wichelroede

Boekrecensie In de zeventiende eeuw was de wetenschap nog jong. Maar ook toen vlogen wetenschappers elkaar flink in de haren.

Een zeilwagen van Simon Stevin op het strand van Scheveningen in 1649.
Een zeilwagen van Simon Stevin op het strand van Scheveningen in 1649. Foto Getty Images

In de zeventiende eeuw kreeg na veel tasten en zoeken de moderne natuurwetenschap zoals wij die kennen gestalte, inclusief experimentele en mathematische aanpak: het boek der Natuur bleek geschreven in de taal der wiskunde. Uit honger naar kennis en ontdekkingen kwamen pioniers als Descartes, Galileï en Copernicus tegenover de kerk en haar dogma’s te staan. Daarover zijn boekenkasten vol geschreven. Het is dus niet eenvoudig om aspecten van deze ontwikkeling met een frisse, nieuwe blik te beschouwen.

Toch is historica en wetenschapsjournaliste Geertje Dekkers daarin geslaagd. In haar onlangs verschenen boek, met de prachtige titel Waanwijze lasterbende, behandelt ze acht ruzies tussen voor- en tegenstanders van het nieuwe denken in de zeventiende-eeuwse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dat levert mooie verhalen op.

Gepriegel

Zo lezen we hoe de ontdekkingen van Antoni van Leeuwenhoek de jaloezie opwekten van een jongere collega, die zijn beroemde tijdgenoot slechts een ambachtsman vond wiens gepriegel weinig intellectuele waarde had. En over Hendrik van Deventer, een medicus die tegenwoordig wordt gezien als de vader van de verloskunde, maar die zijn ambt als arts niet mocht uitoefenen, omdat hij zijn proefschrift in het Nederlands had geschreven. En de Leidse universiteit, hoe die in het midden van de zeventiende eeuw volgens sommigen onder invloed van de ideeën van Descartes uitgroeide tot een „een twist- en kijfschool, een hof van sotternyen en ondeugd” en daarmee een bedreiging vormde voor kerk en staat. Altijd aardig, wetenschappers die elkaar in de haren vliegen.

Dekkers laat ook zien dat vooruitgang in de wetenschap zich niet voltrok langs een rechte, opwaartse lijn. Simon Stevin bijvoorbeeld was als vroege aanhanger van het Copernicaanse wereldbeeld zijn tijd vooruit. De aarde, vond hij, was niet meer dan een gewone planeet die het zonlicht weerkaatste en Aristoteles had een denkfout gemaakt toen hij beweerde dat zware voorwerpen sneller vielen dan lichte – wat Stevin in een valexperiment met twee „clooten” overtuigend liet zien. Toch geloofde hij nog in een ‘tijd der wijzen’, waarin kort na de Zondvloed, de mens alles had geweten.

Wichelroede

Of neem de jurist Pieter Rabus, die aan het eind van de zeventiende eeuw een aanhanger was van de allernieuwste wetenschappelijke inzichten, maar tegelijkertijd geloofde hij dat zijn vrouw met een wichelroede goud kon vinden – iets waarmee hij zich volkomen belachelijk maakte in de ogen van zijn tegenstanders. Dit soort pareltjes dist Dekkers met veel smaak op.

Het mooie is ook dat ze zich niet volledig beperkt tot de natuurwetenschappen. Zo wijdt ze een hoofdstuk aan het pyrronisme, een stroming in de klassieke oudheid die pleitte voor twijfel aan (historische) kennis, en die in de late zestiende eeuw opnieuw opgeld deed. Michel de Montaigne propageerde een kritische denktrant, een voortdurende twijfel aan alles, met name aan dogmatische standpunten en geloof in het aristotelisme zoals dat onder invloed van de kerk eeuwenlang had gegolden. Dat schreeuwde natuurlijk direct om nieuwe zekerheden, die voor Descartes bijvoorbeeld lagen in de wiskunde en de logica.

Het is jammer dat Dekkers voorbijgaat aan het werk van de Franse filosoof en schrijver Pierre Bayle, die ze zelf nota bene „misschien wel de grootste twijfelaar van de eeuw” noemt. Ook in andere hoofdstukken was er best ruimte geweest om wat dieper op de materie in te gaan.

    • Rob van den Berg