Recensie

Recensie Boeken

Steeds noemt Murakami zich een heel gewoon iemand

    • Auke Hulst

Haruki Murakami Een schrijver doet er goed aan zijn oeuvre niet zelf te ontleden. Dat blijkt maar weer uit ‘de autobiografie van een schrijverschap’ waarin Murakami te graag uitblinkt in bescheidenheid.

Illustratie Ewa KLOS/Leemage

‘Ik beschouw mezelf niet als bijzonder begaafd,’ zegt Haruki Murakami, de Japanse bestsellerauteur en Nobelprijs-kandidaat, in Romanschrijver van beroep. ‘Ik heb ook nooit gedacht dat ik over een speciaal talent beschik. Natuurlijk verdien ik al meer dan dertig jaar mijn brood als voltijds schrijver, en helemaal talentloos zal ik dus niet zijn. Vermoedelijk zal ik oorspronkelijk wel zoiets als een bepaalde eigenschap of een karakteristieke neiging hebben gehad. Maar ik vind dat het tot niets dient om daar zelf mijn hoofd over te breken.’

In deze alinea zijn de twee grootste problemen van dit boek vervat, een boek waaraan ik me als liefhebber van Murakami’s volstrekt unieke oeuvre stevig heb geërgerd. Een schrijver is al zelden de geschiktste kandidaat om het eigen schrijverschap te ontleden, maar als hij zich ook nog eens verzet tegen analyse is die helemaal gedoemd te blijven steken in gemeenplaatsen. Als de betreffende schrijver dan uitblinkt in bescheidenheid, met disclaimers strooit (‘dat is maar mijn mening’) en zich voor die meningen verontschuldigt, tja… Een bescheidenheid die overigens het omgekeerde ervan lijkt te verhullen, wat mijn ergernis verdiepte.

Wat voor boek is dit? Het wordt omschreven als een ‘autobiografie van een schrijverschap’, maar meer dan een inhoudelijke zelfstudie is dit een verzameling relatief oppervlakkige essays. Het gaat over de ruimhartige aard van de schrijfgemeenschap (waarover Murakami veel onzin beweert), over de toevallige wijze waarop hij schrijver werd (waarover hij al eerder schreef in zijn hardloopboek Waarover ik praat als ik over hardlopen praat), over literaire prijzen (waaraan hij nogal wat ruimte besteedt, voor iemand die zegt ze niet van belang te achten), over de noodzaak van een fysiek sterk gestel om schrijver te kunnen zijn en vooral te blijven (ook daarover ging het al in zijn betere hardloopboek), over vertalingen, over de functie van school (een instituut waarvan hij een duidelijke afkeer heeft), over het scheppen van personages en de keuze voor vertelperspectief, over het al dan niet hebben van een beeld van je lezers. De toon is toegankelijk – meer dan in het hardloopboek gaat de schrijver voor de lezer op zijn hurken. Steeds weer typeert hij het schrijven van romans, zijn core business, als een omslachtige en zelfs ‘uiterst stompzinnige bezigheid’. En zichzelf als een ‘een heel gewoon iemand’, die niet erg intelligent is bovendien. Ammehoela!

Jazzbar

Ik heb het genoegen gehad Murakami – die weinig interviews geeft – een keer uitgebreid aan de tand te mogen voelen. Dat was toen hij gastschrijver was op Hawaii. Toen al viel me een discrepantie op die dit boek nog sterker uitlicht. Ik trof een relaxte man in korte broek die de door zijn assistenten in Tokio gestelde kaders vrolijk in de wind sloeg. Iemand die volkomen zijn eigen gang ging.

Van de grote naoorlogse Japanse schrijver Endo is nu eindelijk zijn roman over mannelijk wangedrag vertaald. Lees ook: Hij vergrijpt zich aan haar in een hotelkamer en laat haar dan als een baksteen vallen

Juist eigenzinnigheid is wat Murakami kenmerkt: in plaats van het gangbare levenspad van het collectivistische Japan te volgen, was hij zijdelings betrokken bij de studentenbeweging, begon een jazzbar, besloot opeens schrijver te worden, sloot daarvoor ook die inmiddels goed lopende jazzbar, verhuisde naar Europa en naar Amerika, en schreef werk dat zozeer afweek van de conventies van de Hogere Japanse Literatuur dat tegenwind onvermijdelijk was.

Een bescheiden mens met weinig geloof in eigen bijzonderheid volgt zo’n pad niet. Bovendien bleek Murakami in dat gesprek – net als in dit boek – verre van gestikt in een mening. De toevoeging ‘maar dat is maar mijn mening’ lijkt bescheiden, maar ondertussen is er dus wel de hele tijd sprake van een mening. Er zit, kortom, nogal wat licht tussen hoe Murakami over zichzelf spreekt en zijn daadwerkelijke manifestatie. In psychologische termen: er lijkt sprake van afweer, deels ingegeven door een noodzaak de grenzen van het persoonlijk leven te bewaken, deels door de angst de eigen motor te vernachelen door onder de motorkap te kijken.

Ik snap dat verzet tegen zelfanalyse en zelfrevelatie. Murakami is een schrijver die in romans als De jacht op het verloren schaap, De opwindvogelkronieken en Kafka op het strand nadrukkelijk in het schemergebied tussen intuïtie en verstand bivakkeert, die zijn magie – een ontoereikend én toepasselijk woord – ontleent aan het onbenoembare; aan dat wat wordt losgewoeld uit het onderbewuste, ondergrondse, onderaardse. Zijn werk tast een delicate grens af, en wij lezers tasten met Murakami (1949) mee en ontdekken zo nieuwe contouren van het mens-zijn in de geïndividualiseerde, postindustriële, laat-kapitalistische hyperrealiteit.

Geen noten lezen

Ik denk dat Murakami bang is dat hij het onderbewuste, intuïtieve aspect van zijn werk – hij schrijft zijn romans zonder helder uitgestippeld pad – ondergraaft wanneer hij beter zicht krijgt op zijn eigen methode en de autobiografische humuslaag van zijn fictie. Op dezelfde manier waarop Paul McCartney geen noten wil leren lezen, omdat hij vreest dat technische bagage hem weg zal voeren van theoretische onmogelijkheden die toch blijken te werken. Het is inzichtelijk dat Murakami vaak met een omweg meer over zijn werk en zichzelf blootgeeft, bijvoorbeeld als hij het over hardlopen heeft, of over muziek.

Heeft Murakami in Romanschrijver van beroep dan niets van waarde te melden? Toch wel. In het hoofdstuk over personages gaat Murakami dieper in op de keuze tussen boku (het ik-perspectief) en de derde persoon, en de complicaties en mogelijkheden van beiden, en vertelt hij meer dan in de andere hoofdstukken over zijn eigen romans. Aan de hand van een mooi verhaal over twee mannen die de Fujiberg bezoeken, duidt hij het verschil tussen de intellectueel en de romanschrijver, waarbij de eerste de berg van afstand observeert en de tweede de berg moest beklimmen om te ontdekken wat de berg inhoudt. (Jammer dat Murakami de bergbeklimmer de minder snuggere moet noemen.) En het is interessant te vernemen hoe zijn productieproces in elkaar steekt, en welke rol een redacteur daarin speelt. Toch blijven we voor een inhoudelijke analyse van Murakami’s werk aangewezen op werk van derden, waaronder Haruki Murakami and the Music of Words van zijn vaste Engelse vertaler Jay Rubin of Ype de Boers filosofische Murakami en het gespleten leven.

Ter afsluiting, in alle valse bescheidenheid, een eigen disclaimer: het idee dat Murakami van zijn eigen lezers heeft is amorf – ‘die heeft geen leeftijd, beroep of geslacht’ – en het was me niet helemaal duidelijk voor wie hij dit boek geschreven heeft, wat het mogelijk maakt dat het ‘gewoon niet voor mij’ is. Voor doorgewinterde lezers van zijn werk biedt deze autobiografie weinig nieuws, te weinig diepgang en valt de schrijver te veel in herhaling. Maar zoals Murakami zou zeggen: ‘Nou ja, niet dat mijn mening verder wat uitmaakt, neem ik aan.’