Open access , mooi! Maar hoe dan?

Wetenschappelijk publiceren Het plan van de Europese wetenschapsfinanciers om snel open access in te voeren leidt tot onrust.

De meest recente afleveringen van vier van de meest geciteerde wetenschappelijke tijdschriften ter werelden, alleen Chemical Society Reviews biedt ook een open access/publicatiemogelijkheid.
De meest recente afleveringen van vier van de meest geciteerde wetenschappelijke tijdschriften ter werelden, alleen Chemical Society Reviews biedt ook een open access/publicatiemogelijkheid. nrc

Het klinkt heel mooi: alle wetenschappelijke publicaties voor iedereen gratis online leesbaar. Die eis kondigden wetenschapsfinanciers uit (toen nog) elf Europese landen vorig jaar september aan (waaronder, uit Nederland, NWO). Dat leidde tot onrust en zorgen onder wetenschappers. Niet vanwege die openbare toegankelijkheid – het is moeilijk onderzoekers te vinden die ertegen zijn dat burgers, huisartsen, bedrijven én wetenschappers wereldwijd gratis onderzoeksresultaten kunnen inzien. Maar vooral vanwege de manier waarop.

Onderzoekers uitten hun bezwaren in opinie-artikelen en open brieven, op consultatiebijeenkomsten, zoals vorige week nog in Utrecht, en direct aan cOAlition-S, zoals de initiatiefnemers zich noemen (de O en A zijn met opzet de hoofdletters van open access, openbare toegankelijkheid). Hun plan heet Plan-S. Die S kan staan voor science, speed, solution of shock, zegt Robert-Jan Smits, speciaal EU-gezant voor open access en een van de initiatiefnemers. Behalve open access dient het initiatief nog een ander belangrijk doel: de macht van de commerciële uitgevers breken, die met hun jaar-in-jaar-uit stijgende abonnementsgelden hoge winsten maken. Nota bene, zo klinkt de kritiek, voor werk dat met belastinggeld is betaald en grotendeels door onderzoekers uitgevoerd.

Maar de veranderingen moeten nu wel ineens heel snel: de eis geldt voor al het onderzoek waaraan de financiers – uit dertien landen inmiddels – vanaf 1 januari 2020 geld geven.

Kwaliteitsbeoordeling

Vooral jonge wetenschappers maken zich zorgen over de manier waarop hun kwaliteit als onderzoeker beoordeeld wordt als ze hun artikelen straks niet meer in toptijdschriften zoals Nature en Science kunnen publiceren. Want dat zijn abonnementstijdschriften, en dat strookt niet met de open access-opzet van Plan S. Bij aanvragen voor subsidies die vooral aan het begin van een wetenschappelijke carrière cruciaal zijn, is het aantal publicaties en de kwaliteit ervan heel belangrijk. En voor de kwaliteit van een artikel wordt vaak gekeken naar de impactfactor of reputatie van een blad, zei neurowetenschapper Barbara Braams vorige week op de consultatiebijeenkomst in Utrecht; zij is drie jaar geleden gepromoveerd en nu universitair docent aan de Vrije Universiteit. Ze had er eerder samen met aardwetenschapper Lennart de Groot een opiniestuk in de Volkskrant over had geschreven. Plan S gaat zo snel, schreven ze daar, het is alsof je de spelregels voor jonge wetenschappers verandert tijdens de wedstrijd.

cOAlition-S is wel op zoek naar een betere manier om de kwaliteit van onderzoekers te beoordelen, maar er is nog veel onduidelijk. Plan S verwijst naar de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA), een lijst aanbevelingen om onderzoek niet te beoordelen op basis van de impactfactor van het tijdschrift waar het in staat. Als een blad een hoge impactfactor heeft kan dat komen door enkele heel vaak geciteerde artikelen; het hoeft niet veel te zeggen over de kwaliteit van het blad. Maar hoe beoordeling dan precies wél moet?

„Ik ben de eerste om te zeggen dat een artikel dat in Nature of Science staat niet automatisch een goed artikel is”, zegt KNAW-president Wim van Saarloos. „Het is maar een indicator.” Hij begrijpt de zorgen van de jonge onderzoekers wel: „Het gaat snel en er verandert veel tegelijk, misschien te veel. Maar bij de beoordeling van subsidieaanvragen wordt echt ook naar de inhoud van het voorstel en van de gepubliceerde artikelen gekeken.” Zijn beleidsadviseur Arie Korbijn voegt toe: „Het is zeker dat dit nu voor jonge onderzoekers onzekerheid oplevert en dat er voor hen snel duidelijkheid moet komen, maar op termijn komt het goed.”

Topbladen zijn niet OA

Bram Nauta, hoogleraar elektrotechniek in Twente, vindt het terecht dat geprobeerd wordt iets te doen tegen de hoge abonnementsprijzen van de commerciële uitgevers. „Maar niet op de manier zoals Plan S voorstelt”, zegt hij. Dat wil tijdschriften een omslag laten maken naar een model waarbij onderzoekers voor publicatie aan de uitgever een article processing charge (apc) betalen.

Hij vreest dat het de society journals, die worden uitgegeven door veelal kleinere, non-profit uitgeverijen van academische en vakverenigingen, de nek zal omdraaien. In zijn vakgebied gebruiken die nog veelal het abonnementsmodel. „Ik betaal 237 dollar per jaar aan mijn vereniging, de IEEE. Daarvoor kan ik 16 maandblad en 3 kwartaalbladen lezen. Dat is spotgoedkoop.” Hij vindt het niet zo erg dat de bladen achter een betaalmuur zitten. Wie wil kan de artikelen ook open access terugvinden, zegt Nauta. Op speciale servers (repositories) van de universiteit. „Of je mailt een auteur. Die stuurt je het artikel ook meteen toe, gratis.” In de natuurkunde bestaat al jaren de website arXiv.org waarop preprints van publicaties open access worden geplaatst. Kunnen niet veel meer vakgebieden zoiets opzetten?

Birgit Meyer, hoogleraar religiewetenschap in Utrecht, benadrukt dat academische verenigingen het abonnementsgeld ook gebruiken om congressen en cursussen te organiseren. Kunnen ze dat straks nog wel blijven doen? Ook vreest ze, net als Nauta, voor de kwaliteit van tijdschriften. Als onderzoekers moeten betalen voor een publicatie, zullen tijdschriften dan niet de neiging hebben hun eisen af te zwakken, om maar meer artikelen (dus inkomsten) binnen te krijgen?

Bas de Bruin, hoogleraar scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam, is bezorgd dat Plan S verbiedt te publiceren in hybride society journals. Dat zijn wetenschappelijke tijdschriften van vakverenigingen waar je je op moet abonneren, maar waarin je ook, tegen betaling, open access kunt publiceren. Dat zijn dubbele inkomsten, en dat wil cOAlition S voorkomen. „In ons vakgebied hebben bijna alle belangrijke tijdschriften dat model”, zegt hij. En veel van die bladen worden uitgegeven in landen die niet bij cOAlition-S zijn aangesloten. De kans dat die meegaan in al die regeltjes is klein. „En dan hebben we een groot probleem: dan kunnen we niet publiceren in die belangrijke bladen die door de rest van de wereld gelezen worden. Dan wordt ons werk dus niet gelezen, want er zijn in dit vakgebied geen alternatieve kwaliteitsjournals.”

De landen zonder Plan S

Als Nederland zich aan Plan S houdt, kan dat problemen geven voor mensen die willen werken met onderzoekers uit landen die zich niet bij cOAlition-S hebben aangesloten, voorziet Bas de Bruin. „Die zullen zich nog wel een paar keer achter de oren krabben voordat ze met ons gaan samenwerken. Want als ik niet in die belangrijke bladen mag staan, dan kunnen we ons gezamenlijke onderzoek daar niet in publiceren.”

Het heeft ook gevolgen voor jonge onderzoekers die uit het buitenland naar Nederland komen, promovendi en postdocs (pas gepromoveerden). „Nu komen er veel”, zegt De Bruin. Buitenlandse promovendi leveren Nederland ook geld op, berekende het CPB in 2016. „Maar als ze horen dat ze bij ons niet in de belangrijke bladen mogen staan, willen ze dan nog wel komen?” KNAW-president Wim van Saarloos hoorde laatst al van een collega die een jonge onderzoeker uit het buitenland een aanbod had gedaan: „Die zegt: bij jullie mag ik dan niet meer in toptijdschriften staan, maar in Amerika wordt daar wel naar gekeken.”

Verder kan het systeem van peer review (waarbij onderzoekers elkaars artikelen vóór pubicatie op kwaliteit beoordelen) in de knel komen, denkt De Bruin. „Als wij niet meer in bepaalde journals mogen publiceren, gaan we daar al snel ook niet meer voor refereren. En dan wil Amerika natuurlijk ook onze artikelen niet meer beoordelen. Dan is het nog maar een kleine stap naar de situatie waarin je ook elkaars onderzoeksvoorstellen niet meer beoordeelt. Dan ontstaat er een tweedeling in de wetenschappelijke wereld.”

Wie betaalt?

Er is nog een andere tweedeling denkbaar. „Die is misschien nog wel onwenselijker”, zegt De Bruin. „Het is nog niet duidelijk wie volgens Plan S de article processing costs gaat betalen. Als er een deel van het onderzoeksgeld naartoe moet, kunnen we dat in Nederland misschien nog wel lijden. Maar in India, waar de onderzoekssubsidies nog veel kleiner zijn?” Een paywall om te lezen, zegt De Bruin, daar valt nog wel omheen te werken: je kunt een artikel per mail bij collega’s opvragen. „Maar een paywall om te publiceren is een totaalbarrière.”

Rijke onderzoeksgroepen zullen meer kunnen publiceren in een systeem waarbij je per artikel moet betalen, zegt Bram Nauta. Onderzoekers met een beperkte beurs kunnen in de knel komen. De kosten van een apc lopen uiteen van 350 tot 6.000 euro. „En hoe zit het met arme landen”, zegt ook hij, „hoe gaan die hun publicaties financieren?” Verder zegt hij dat academische ve renigingen ook abonnementsgelden krijgen van bedrijven. Die inkomsten vallen straks weg.

Lees ook: De chaos van open access

Wim van Saarloos: „Plan S zet erg in op een omslag van abonnementsprijzen, naar betalen om een artikel te publiceren. De zorg is dat dat een nieuwe perverse prikkel in het systeem brengt. In de meest extreme vorm heb je het dan over rooftijdschriften.” Dat zijn bladen die geen enkele kwaliteitscontrole doen en geld binnenharken.

Hij is voor een soort Nationaal Archief waarin álle Nederlandse onderzoekers hun publicaties open access neerzetten. Maar dat mag toch niet van de uitgevers van niet-open access-bladen? „Je zet alleen de tekst erop, niet de opmaak. Plan S begon toch als shock – je mag best een boude stap zetten. Dan kun je heel snel 100 procent open access zijn.”

    • Ellen de Bruin
    • Marcel aan de Brugh