Recensie

Recensie

Ze overwon depressie en anorexia en leidt nu een gedisciplineerd leven

Depressie Eva Meijer kreeg een zware depressie, overwon die en leidt sindsdien een gedisciplineerd leven. In een lang essay belicht ze talloze facetten van dit fenomeen op een bewonderenswaardige wijze.

    • Martijn Meijer

‘Ik heb lang gedacht dat mijn leven het niet waard was om geleefd te worden’, schrijft Eva Meijer, ‘omdat het ongeluk zo vaak veel zwaarder woog dan het geluk.’ Op haar veertiende raakte ze in een depressie en later kreeg ze er ook nog anorexia bij; het duurde zeven jaar voordat ze hersteld was. Nu gaat het al ‘best lang best goed’, maar het is een precair evenwicht dat Meijer (1980) bewaart: ‘Ik weet dat ik ooit weer depressief zal worden – of ik moet ineens heel veel geluk krijgen, maar dat lijkt me sterk.’ Daarom houdt ze ‘als een arts’ haar gemoed in de gaten en leidt ze een gedisciplineerd leven dat draait om werken, wandelen met haar honden, hardlopen en stilte. Haar werk als beeldend kunstenaar, filosoof, singer-songerwriter en schrijver is van dat alles het belangrijkste: het is haar ‘redding’ geweest. ‘Ik leerde mijn lot te verbinden met wat ik maakte en ik kon daarmee de vraag of ik wel of niet dood moest tussen haakjes zetten.’

Een depressie heeft trouwens ook zijn voordelen: het gaf Meijer inzicht in de ‘zinloosheid en absurditeit van het bestaan’, waardoor ze zich niet meer druk maakt om oppervlakkige dingen. En het is een bron van inspiratie voor haar geweest: veel van haar tekeningen, liedjes en boeken, zoals haar tweede roman Dagpauwoog (2013), zijn beïnvloed door het ‘donker’ dat ze in zich meedraagt.

Grijs of wit in plaats van zwart

In het lange essay De grenzen van mijn taal schrijft ze voor het eerst expliciet over het onderwerp. Scherpe analyses van haar ervaringen met depressie worden daarin afgewisseld met passages waarin ze aan de hand van Wittgenstein, Woolf, Sartre en andere denkers en schrijvers filosofeert over de gedachte aan zelfmoord, de relatie tussen creativiteit en ‘gekte’, het nut van therapie en medicijnen en de troost van dierlijk gezelschap. Haar essay heeft Meijer niet alleen voor lotgenoten geschreven, want ‘de vragen die de depressieve mens bezighouden zijn fundamenteel menselijke’.

20 procent van de volwassenen is een keer in een zijn leven depressief. Wat kun je doen of moet je laten om iemand met een depressie te helpen? Lees ook: Vraag liever niet elke dag hoe het gaat

De taal is echter haar voornaamste thema. Meijer denkt veel na over de mogelijkheden die de taal biedt om haar ervaringen te beschrijven. Het is voor haar een kwestie van groot belang. Het eerste wat ze namelijk verliest als ze depressief is, is het vermogen om contact te maken met mensen. Een manier om de verbinding te herstellen, is proberen te schrijven en te praten over wat er in haar omgaat, maar helaas heeft taal beperkingen, ‘je kunt nooit precies zeggen wat je wilt zeggen’. [...] ‘Taal kan de afstand tot de ander overbruggen en het is tegelijk datgene wat ons van de ander scheidt – net als onze huid’, schrijft Meijer. Het is een voorbeeld van de treffende manier waarop ze soms formuleert.

Dagboek

De schrijfster doet een bewonderenswaardige poging om nieuwe woorden te vinden om haar depressie te beschrijven. Ze heeft een afkeer van de vergelijkingen met monsters, demonen en beesten en ook van metaforen met de kleur zwart. Niet alleen omdat het clichés zijn, maar ook omdat ze een depressie ‘eerder als afwezigheid ziet dan als aanwezigheid. Alles wat de moeite waard is wordt langzaam weggeschraapt en wat overblijft is kale rots.’ Een depressie is dan ook niet zwart, hooguit donker, ‘zoals een nacht donker is, wanneer het licht uit de wereld trekt’. Meijer ziet een depressie eerder als grijs of wit, ‘de kleur van stilte, van kale vrieskou, van buitengesloten worden, van niks, van verlies’.

In de loop van het boek probeert ze depressie op tal van manieren in taal te vangen: het is een schaduw die je met je meedraagt, aan de binnenkant van je lichaam; het zijn zwartgeblakerde dagboeken waar alleen nog flarden uit te lezen zijn. Hoe goed geformuleerd ook, het blijven literaire beelden die deze lezer hoogstens een vage indruk geven van wat het betekent om depressief te zijn. Hier stuit Meijer op de grenzen van haar taal. Het is een tragisch aspect van een tekst als deze waarin juist de verbinding met ‘de anderen’ wordt gezocht: dat waarschijnlijk slechts een kleine groep echt begrijpt wat erin wordt verteld. Zo wordt de fundamentele eenzaamheid van de gedeprimeerde mens opnieuw bevestigd.