Recensie

Recensie

Het Westen moet terug naar de jaren zestig

Hoe maak je in deze tijd het politieke midden weer aantrekkelijk? In zijn nieuwe boek doet de Britse ontwikkelingseconoom Paul Collier een poging.

Foto Merlin Daleman
    • Mark Lievisse Adriaanse

De zoektocht naar richting in de ideologische woestijn van oprukkend populisme en tanend liberalisme duurt voort. Na Trump, het Brexit-referendum en historisch goede uitslagen voor nationaal-populisten in liberale democratieën werpt menig schrijver zich op de vraag: hoe het licht van het liberalisme weer te ontsteken, het politieke midden weer aantrekkelijk te maken? In zijn The Future of Capitalism. Facing the New Anxieties doet de Britse ontwikkelingseconoom Paul Collier, bekend van The Bottom Billion, een poging.

Collier (1949) koppelt zijn eigen levensverhaal, dat van een arbeiderszoon uit fabrieksstad Sheffield, aan de opkomst, successen en ondergang van het unieke huwelijk tussen sociaal-democratie en gematigd kapitalisme in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. De economische groei van de markteconomie werd toen gekoppeld aan ‘wederzijdse verplichtingen’ tussen burgers, schrijft Collier. Daardoor werd een verzorgingsstaat opgebouwd waarin jongens als hij sociaal konden stijgen. Collier ging naar Oxford.

Daarna ging het mis – maar niet met hem; Collier adviseert regeringen en internationale organisaties over het ‘ontwikkelen’ van arme landen. Wel met het door Collier bijna als paradijselijk omschreven huwelijk tussen sociaal-democratie en kapitalisme, dat in de jaren tachtig ontspoord zou zijn door vrijemarktfundamentalisten en linkse partijen die zich niet meer om de gemeenschap bekommerden, maar om individuele groepen – identiteitspolitiek dus.

Bernie

Het gevolg: een democratische crisis waarin de bedreigingen volgens Collier vooral van de flanken komen. ‘Ideologen en populisten’ – iedereen waarmee Collier het oneens is, en vooral marxisten op links en radicalen op rechts – verleiden kiezers met hun simplisme, maar bieden geen echte oplossingen, aldus Collier.

In zijn nieuwe boek duidt Yale-historicus Timothy Snyder de opkomst van Poetin, Le Pen en Trump. Lees ook: Is dit het meest verontrustende boek van het jaar?

Met veel gemak gooit hij de Brit Jeremy Corbyn en de Amerikaan Bernie Sanders, wier politieke projecten in de kern toch echt om radicale democratisering van de samenleving draaien, op dezelfde hoop met autoritaire politici als Donald Trump en Viktor Orbán. Zij beïnvloeden ook de centrumpartijen, die eveneens gevangen zouden zijn door ‘ideologie’.

De oplossing is even gemakkelijk: het Westen moet terug naar de groei en kansen van de jaren zestig. Dat kan alleen als het midden wordt versterkt, denkt Collier. De partijen in het centrum moeten weer ‘pragmatisch’ worden en ‘ideologie’ afwijzen. De ‘wederzijdse verplichtingen’ gecombineerd met een gereguleerd kapitalisme houden kiezers weg bij de ‘ideologen’ op de flanken.

Pragmatisme

Zou het zo simpel zijn? Problematisch aan die analyse is dat Collier de rol van het zogenaamd redelijke midden in de huidige crisis miskent. Het waren niet de radicalen op links of rechts die de banken dereguleerden of Irak binnenvielen; het was niet Sanders die van Amerika zo’n ongelijk land maakte. De bedreiging van de democratie komt van autoritairen, maar óók van een midden dat de afgelopen decennia de omstandigheden creëerde waarin dat autoritarisme kan floreren.

Te gemakkelijk gaat Collier ook voorbij aan de historische uniciteit van de decennia na de Tweede Wereldoorlog en de bereidheid van burgers in die periode om ‘wederzijdse verplichtingen’ aan te gaan.

De irritante afschuw die Collier van ideologie heeft, verzwakt bovendien zijn argument. Alles wat misgaat lijkt hij als ‘ideologisch’ te omschrijven, al het goede is ‘pragmatisme’ en ‘redelijk’.

Warrig boek

Het gevolg is een warrig boek, dat het ene moment gaat over ongelijkheid tussen stad en platteland, dan over opvoedingsproblemen bij arme gezinnen (die maar minder kinderen moeten krijgen en door een ‘sociaal maternalisme’ heropgevoed), dan ineens over de ethiek van advocaten. Het ontbreekt aan diepgang.

Ja, wat Collier mist is precies hetgeen hij anderen verwijt: een samenhangende Weltanschauung, een ideologie die zijn argumenten structureert en coherent maakt. Ideologie is niet het kwaad dat Collier ervan maakt, het is alomvattend en, zoals Marx ooit schreef, wat je doet zonder het te weten.

Met zijn geloof in een iets gereguleerder kapitalisme (waarin grote bedrijven gestimuleerd moeten worden, want hun welvaart verrijkt ook de samenleving) is Collier zonder meer ideologisch. Hij lijkt het zelf alleen niet te herkennen. Dat, samen met gemakkelijke oneliners en argumenten, maakt Colliers boek toch vooral een jammerlijke poging nieuw leven te blazen in een politiek waar steeds minder kiezers nog leven in wíllen zien: het midden.