Het engagement van jongeren deugt nooit

Kritiek op scholierenstaking De jeugd wordt altijd verweten dat ze zich te weinig of verkeerd inzet. Onderzoek naar hun daadwerkelijke engagement bestaat vrijwel niet.

Klimaatspijbelaars op het Malieveld. Scholieren demonstreren tegen de klimaatverandering.
Klimaatspijbelaars op het Malieveld. Scholieren demonstreren tegen de klimaatverandering. Foto: David van Dam

In de kritiek op de klimaatspijbelaars hoorde je deze week alle bekende verwijten voorbijkomen. De scholieren waren gemakzuchtig, anders zouden ze wel een zaterdagmiddag opofferen. Ze waren hypocriet, want ze vlogen drie keer per jaar naar de zon en lunchten bij McDonald’s. Onoprecht waren ze ook, want ze praatten alleen hun ouders na. En zelfs het verwijt van vulgariteit kwam voorbij, in weerzin over de soms expliciet seksuele toespelingen op de kartonnen protestborden.

Even een selfie, en dan snel de McDonald’s in

Het is ook nooit goed, want kort geleden nog werd de jongeren juist verweten alleen maar geïnteresseerd te zijn in zichzelf. Rob Wijnberg schreef er in 2007 een boekje over, Boeiuh, waarin hij de apathie onder zijn leeftijdgenoten – hij was toen 25 – beschreef. Twee jaar later kwam onderzoeksbureau Motivaction met het rapport De grenzeloze generatie, waarin de millennials, op dat moment tussen de 14 en 29 jaar oud, werden beschreven als alleen geïnteresseerd in „uiterlijk, status, gemakzucht, kicks en geld”.

De typeringen passen in een lange lijst grieven over jonge generaties, die altijd het verkeerde soort engagement hebben gehad. Je zou er een lexicon van kunnen maken, met de patat- en telekidsgeneratie, de nix’ers en de snowflakes, het slacktivisme, feestidealisme en hiphop-idealisme.

In 1991 stelde Trouw bijvoorbeeld vast dat „activisme en radicalisme uit de gratie zijn geraakt”. Jongeren waren individualistisch geworden en demonstreren was niet tof meer, „de glamour is eraf”. Maar afgaande op de berichtgeving was dat tien jaar eerder ook al zo. Zelfs de jongere in de jaren zestig ontkwam er niet aan. Staatssecretaris Cees Egas klaagde in 1966 dat de jeugd te mak was: jongeren waren „doetjes en sukkels”, alleen geïnteresseerd in consumeren.

Praktisch idealisme

Áls er al iets gebeurde, was dat nooit op de goede manier. In 2005 woedde er op de krantenpagina’s een felle discussie over het ‘praktisch idealisme’ van de nieuwe generatie. Zij hield benefietfestivals, of kocht biologische pindakaas. Te vrijblijvend en niet politiek genoeg, aldus de oudere generatie.

Ook over hun milieubewustzijn zijn jongeren door de jaren heen voortdurend bekritiseerd. „Jeugd zet zich in voor milieu zolang dat niet teveel kost”, kopte NRC Handelsblad in 1993. 850 jongeren waren voor het Nationaal Milieu Referendum ondervraagd, met een voor toenmalig minister van VROM Hans Alders onbevredigende uitkomst. Hij noemde het „teleurstellend dat zo weinig jongeren mee willen betalen aan een probleem dat door de meerderheid wel als ernstig wordt ervaren”.

Twee jaar later concludeerde de krant dat „groen en eerlijk maar niet doorbreken” bij jongeren. Een campagne om hen biologische producten te laten kopen had weinig resultaat. Met name „de vrees om voor alternativo versleten te worden” zou voor jongeren een barrière zijn.

Wat opvalt in alle schetsen van de jeugd is dat zij makkelijk geduid wordt, maar zelden echt onderzocht. Vergelijkend onderzoek naar generaties is er überhaupt niet: het is dus onzin om te zeggen dat jongeren apathischer of idealistischer zijn dan vroeger. Studies naar het idealisme en de actiebereidheid van de huidige scholieren zijn er ook nauwelijks.

Uit het schaarse onderzoek dat er wél is, in 2016 uitgevoerd door de UvA, blijkt dat Nederlandse scholieren vergeleken met hun leeftijdsgenootjes elders weinig geëngageerd zijn: hun actiebereidheid ligt onder het gemiddelde. Dat geldt ook voor hun klimaatzorgen: slechts 22 procent van de leerlingen vindt het volgens dit onderzoek belangrijk zich persoonlijk in te zetten voor de „bescherming van natuurlijke hulpbronnen”, tegen 40 procent in Vlaanderen en 46 procent in Zweden.

Wenselijke antwoorden

De betrokkenheid van scholieren verschilt verder nogal tussen de opleidingsniveaus, zegt Hessel Nieuwelink, lector burgerschapsonderwijs aan de HvA. Op het Malieveld leken de havo/vwo’ers oververtegenwoordigd en dat zou in lijn zijn met Nieuwelinks onderzoek, waarin hij een groepje vmbo’ers vergeleek met vwo’ers van dezelfde leeftijd. Vroeg Nieuwelink aan de vwo’ers wat ze verstonden onder ‘een rechtvaardige samenleving’, dan kwamen ze met grote, mondiale thema’s als het klimaat. De vmbo’ers reageerden met voorbeelden dichter bij huis: voor elkaar opkomen, niet pesten, geen afval op straat gooien.

Ook de visie op de eigen rol verschilde: waar de vwo’ers zeiden het nastreven van een rechtvaardige wereld als plicht te zien, moest het leven volgens de vmbo’ers „wel leuk blijven”. Waarbij Nieuwelink opmerkt dat de vwo’ers mogelijk sociaal wenselijke antwoorden gaven, die weinig zeggen over hun handelingen.

Over die handelingen is helaas weinig bekend, zegt Nieuwelink. We weten dat slechts een heel kleine groep actief is bij politieke partijen of verenigingen, maar over meer praktisch idealisme, zoals stoppen met vlees eten, is weinig bekend.

Kortom, je kunt de scholieren van nu apathie in de schoenen schuiven of juist idealistische drammerigheid; de typeringen zeggen meer over de ouderen die ze geven. Dat was ook de conclusie toen het Algemeen Handelsblad in maart 1969, bijna exact vijftig jaar geleden, een serie wijdde aan de jongste generatie. Scepsis alom in het openingsartikel: „Op globale omschrijvingen van ‘de jeugd’ als generatie, waarbij soms een opvallende minderheid als prototype of representant van de gehele generatie op de voorgrond wordt geplaatst, is terecht scherpe kritiek geleverd.”