Opinie

Hang geroofde kunst op

Joods erfgoed En blijf ons verhaal van die onvoorstelbare plundering vertellen, schrijft .

Illustratie Anne Caesar van Wieren

Is dit Nederland? In 1943 stond ik bij het huis van mijn grootvader op de Amsterdamse Herengracht. Op een ochtend zagen we hoe de Nederlandse politie een razzia op het Joodse weeshuis uitvoerde, hoe Amsterdamse trams klaar stonden om de 94 weesjongens met twee van hun verzorgsters en hun arts weg te voeren. De Amsterdamse trams zetten de weeskinderen keurig netjes af op een Nederlands treinstation. De Nederlandse staatstreinen brachten de kinderen keurig netjes naar Westerbork en Nederlandse treinen brachten ze vervolgens keurig netjes naar Sobibor waar ze werden vergast. Geen van hen kwam ooit terug.

Drie uur later verscheen het Nederlandse vervoersbedrijf Puls met zijn Nederlandse medewerkers – ze haalden het weeshuis leeg. De inboedel werd met Nederlandse vrachtauto’s en schepen naar Duitsland gebracht. De waardevolle schilderijen en Judaïca werden separaat naar Duitsland verstuurd om de verzamelingen van Göring en Hitler aan te vullen.

Ruim honderd jaar had het weeshuis bestaan dankzij giften, legaten van de Joodse gemeenschap in Nederland. In het huis hingen prachtige schilderijen, afkomstig uit de nalatenschappen van Joodse families, geschonken in de voorgaande anderhalve eeuw.

Wie kan deze geroofde kunst en Judaïca volgens de Restitutiecommissie claimen? De vermoorde weeskinderen die nooit zijn teruggekomen, hun verzorgers die vrijwillig met hen op transport gingen omdat zij hun kinderen niet alleen wilden laten?

Morele kwestie

Eind vorig jaar schreef de voorzitter van de Restitutiecommissie, Alfred Hammerstein, in deze krant dat bij roofkunst „het belang van het slachtoffer altijd voorop staat”. Hammerstein, wiens geloofswaardigheid boven enige twijfel is verheven, kent vanzelfsprekend de juridische argumenten. Maar het is geen juridische kwestie, het is een morele kwestie! Hoe behandelt men de slachtoffers van genocide en de overlevenden? Daarop geeft de Nederlandse wet geen antwoord.

Evelien Campfens, die veertien jaar werkte als secretaris van de Restitutiecommissie, schreef in dezelfde krant dat Nederland gewetensvol omgaat met roofkunst. Wat dat gewetensvol inhoudt, zegt ze niet. Evenmin zegt ze hoe om te gaan met de erfenissen van de Joodse culturele genocide.

De huidige Nederlandse Staat en regering zijn een directe juridische opvolger van alle Nederlandse regeringen van voor, in en na de Tweede Wereldoorlog. Vele honderden geroofde schilderijen, standbeelden, antieke sieraden, postzegels, antiquiteiten die ooit toe aan Joden uit Nederland toebehoorden, zijn tegenwoordig in het bezit van rijk, musea, gemeenten. Deze kunstschatten hangen in allerlei gebouwen, bijvoorbeeld in het gebouw van de Commissaris van de Koning van Noord-Holland in Haarlem. Vijfentwintig jaar na de oorlog werd er nog altijd oorlogskunst verkocht, onderhands en zelfs openlijk, aan ambtenaren van het ministerie van Financiën.

Lees ook: Hoe gaan diverse Europese landen om met claims op ‘besmette’ kunst?

Geef geroofd bezit terug

De kunstwereld neemt de pogingen van de Joodse gemeenschap in Nederland en de diaspora om haar geroofde bezit terug te krijgen, niet serieus. Vijfenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en na vier jaar onderzoek heeft het Rijksmuseum nóg eens een paar jaar nodig om uit te vinden hoeveel (!) Joodse geroofde kunst in haar bezit is.

Paragraaf 9 van de Washington Declaratie (1998), over de teruggave van door de nazi’s geconfisqueerde kunst, mede geïniteerd en ondertekend door Nederland, stelt vast: „Als de vooroorlogse eigenaars van door de nazi’s in beslag genomen kunst of hun erfgenamen niet kunnen worden geïdentificeerd, dienen er snel stappen genomen te worden om een juiste en eerlijke oplossing te vinden.”

Die tijd is gekomen. In oktober 2018 is er een internationale conferentie in Jeruzalem gehouden over de toekomst van geroofde Joodse kunst waarvan geen erfgenamen te vinden zijn. Tijdens deze conferentie is de zogenaamde Jeruzalem-verklaring aangenomen. Daarin staat: „(…) om niet-geclaimde geroofde kunst die momenteel is opgeslagen in musea tijdelijk te lenen en tentoon te stellen in musea in Israël en de rest van de wereld. Deze werken moeten worden weergegeven met passende uitleg over de omstandigheden van hun plundering. We roepen alle musea in de wereld op die kunstcollecties zonder erfgenamen uit de Tweede Wereldoorlog bezitten om ruimte in hun eigen hallen toe te wijzen en dergelijke kunstwerken tentoon te stellen, vergezeld van verklaringen van de plundering.”

Lees ook: Roofkunst is meer dan een juridische zaak, erken emoties

De weeskinderen kwamen nooit terug

Ja, ik ben emotioneel. Op vrijdagavonden gingen we naar de synagoge in het jongensweeshuis. Ik herinner me de dienst, de weeskinderen, de verzorgers – nooit teruggekeerd. Ik herinner me het herenhuis op de Herengracht van mijn grootvader Abraham Prins – vermoord in Sobibor. Ik herinner me het prachtige zilveren antiek, de schilderijen – alles geroofd. Ik herinner me hoe overlevenden van Auschwitz bij ons thuis kwamen – gekleed in lompen en hoge schoenen zonder kousen.

De Restitutiecommissie vraagt zich af waarom men indertijd geen kunst heeft geclaimd. Maar meer dan de helft van de mensen die terugkwam, was jonger dan achttien jaar. Zij wisten weinig tot niets van het bezit van hun familie, en al helemaal niet van de geroofde kunstwerken.

Bovendien hadden de overlevenden wel iets anders te doen. Terwijl de rouw om hun vermoorde familieleden alle fysieke en geestelijke kracht uit hun lichamen zoog, dienden zij hun leven weer op te bouwen, werk te vinden, familiebanden te herstellen. De meeste Joden waren in die jaren na de oorlog eenvoudig te arm, oud en moe om hun kunst op te eisen. Daarbij, toen de kunst uiteindelijk kon worden opgeëist, moesten ze dure advocaten inschakelen en tijdrovende processen ondergaan.

Het zou de Restitutiecommissie sieren indien ze publiceert hoeveel kunstwerken zijn teruggegeven zonder interventie van advocaten.

De een na de andere Nederlandse instantie blijkt ons beroofd of in de steek gelaten te hebben: de Nederlandse kunstwereld, stadsbelasting, de postgiro, het Nederlandse Rode Kruis, de Nederlandse Spoorwegen, het Beheersinstituut en wie weet nog meer. Maar wij, die de concentratiekampen hebben overleefd of zijn gered door de Nederlandse Rechtvaardigen onder de Volkeren, zijn verplicht om tijdens ons hele leven de herinnering aan de Holocaust-slachtoffers en hun geestelijke en culturele waarden in stand én levend te houden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.