Recensie

Recensie Muziek

Giltburg speelt Rachmaninov zonder poeha

Bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest soleerde pianist Boris Giltburg in het berucht moeilijke Derde pianoconcert van Rachmaninov.

Pianist Boris Giltburg
Pianist Boris Giltburg Foto Intermusica
    • Joep Christenhusz

De Russisch-Israëlische pianist Boris Giltburg (1984) ontpopte zich de laatste jaren tot een ware Rachmaninov-profeet. Aan diens klaviermuziek wijdde hij sinds 2016 drie cd’s, met daarop onder meer de Études-tableaux (opus 33 en 39), het Tweede pianoconcert en - vorig jaar - het Derde pianoconcert, waarmee Giltburg in 2013 ook de prestigieuze Koningin Elisabethwedstrijd op zijn naam schreef.

Donderdag soleerde hij in het stuk bij het Rotterdams Philharmonisch onder leiding van Stanislav Kochanovsky. ‘Rach Drie’, voor kenners, is een concerto waarvan menig pianist ’s nachts zwetend wakker schrikt. De vele daverende akkoordcascades vragen om een bijna bovenmenselijke techniek. De meervoudig gelaagde notenmassa’s lijken stiekem voor drie of vier handen geschreven en voor de breed welvende melodieën is flink wat doorleefde lyrische spankracht vereist.

Leidt die combinatie dikwijls tot pianistiek spierballenvertoon met hier en daar een sentimentele snik, Giltburg koos donderdag voor een aanpak zonder poeha. Zo kreeg het beroemde openingsthema door zijn lichte toets een bijna mozartiaanse puurheid en werden sololijntjes in het hout omspeeld met flonkerend filigraanwerk.

In het ‘Adagio’ joeg Giltburg een frisse bries door de noten dankzij een fraaie balans tussen hoog, midden en laag. De ‘Finale’ kende heerlijk snaaks gespeelde loopjes en repeterende nootjes.

Jammer dat de monumentale solocadens in het eerste deel aanvankelijk wat troebel klonk (al herstelde Giltburg zich fenomenaal) en dat de samenspraak met het orkest reliëf miste. Vooral de potiger geïnstrumenteerde passages hadden onder Kochanovsky te kampen met muzikale klontervorming.

Na de pauze gaf de Russische dirigent een geestdriftige lezing van Tsjaikovski’s Zesde symfonie (‘Pathétique’) met intens klagende fagotlijnen in de hoekdelen en een diepe, gloedvolle strijkersklank.

Een alternatieve opstelling van de bassen (links in plaats van rechts) kon niet verhinderen dat het orkest nogal zwaar en massief klonk, hetgeen zich vooral wreekte in de climaxzoekende doorwerking van het eerste deel, evenals de middendelen. Zo wilde het in de anders zo dansante 5-telsmaat van het ‘Allegro con grazia’ maar niet echt zwieren.