Recensie

En toen verscheen tussen mens en aap de wateraap

Mariken Heitman Al wat leeft wil kiemen, uitgroeien. Behalve dan de hoofdpersoon van Mariken Heitman. Die groei van kind naar volwassene beschrijft zij in een barokke buitelende stijl.

Vochtig is de aarde; zoet broeit het verval. In De wateraap van bioloog Mariken Heitman regeert de natuur, en hoe. De hoofdpersoon leegt een kruiwagen met onkruid op een composthoop, en denkt: ‘Hij moest opstaan, deze compostgolem, met zijn pruik van meldewortels, zijn duizendvingerige handen van kruiskruid, zijn groen uitgeslagen sinaasappelmond en penworteltanden, zijn neus een rottende aardappel en ogen van aardbeikroontjes [...]. Beest, dacht ik, laat zien wie je bent.’ Een onvoorzichtige wens, die niet zonder gevolgen blijft.

Rijk, ja stampvol, aan klanken en beelden, maar toch hecht gestructureerd is deze vertelling. Heitman (1983) is hiermee een opvallende debutant, wier barokke, buitelende stijl vol binnenrijm (‘okselknoppen’, ‘forse kroppen’) nog het meest doet denken aan werk van Hafid Bouazza. De wateraap is een klein en wat al te voorspelbaar verhaal, maar de mooie, bloemrijke stijl compenseert de wat schrale inhoud.

In De wateraap beweegt alles. Al wat leeft wil kiemen, uitgroeien, zich vermenigvuldigen. Behalve dan de hoofdpersoon. Elke – what’s in a name – voelt zich verdwaald. Ze is blijven hangen op een tussenstation, tussen kind en volwassene. Ze weet niet goed wat ze is, ja, zichzelf, maar niet duidelijk een vrouw of een man. Eerder allebei, of geen van beiden.

Ze ervoer het als verraad toen het kind dat ze was rond haar twaalfde maar ‘een voorstadium’ bleek te zijn. Ze begon uit te botten, en, nog erger: haar ouders wisten al die tijd dat dit zou gaan gebeuren. ‘Uitstulpingen, groeistuipen, huilbuien en donker, vijandig haar dat als insectenpootjes’ uit haar kinderonderbroek wilde kruipen, dienden zich aan. Tot de verwachte bloei, het gevoel een vrouw te zijn, kwam het echter niet. Wanneer ze uit de dames-wc komt, wordt ze aangestaard.

Elke zoekt haar toevlucht bij de zus van haar oma, een alleenstaande, knoestige vrouw die buiten woont, met een moestuin en kippen. Deze Ko maalt niet om uiterlijk en leeft in harmonie met de natuur. Vanaf Elkes twaalfde jaar brengt ze er steevast de zomervakantie door. Maar niets is voor altijd. Al aan het begin van het boek laten de vondst van een dode vos en het op last van tante overal planten van ‘eeuwigmoes’ weinig te raden: tante zal het niet lang meer maken.

Voor Elke echter komt dit als een totale verrassing. Juist was zij bezig iets van een eigen bestaan te vinden. Ze studeert inmiddels biologie en is naar Wenen afgereisd. Ze wil onderzoek doen naar wat de missing link zou kunnen zijn tussen mens en aap: de ‘wateraap’. Dit onbewezen wezen voelde zich, heel anders dan Elke zelf, overal thuis, het leefde vachtloos, gelukkig en sereen, soms op het land en soms onder water. Elke heeft er rooskleurige, meeslepende fantasieën over. Ze bezoekt een bioloog die er een boek over schreef, maar deze vrouw blijkt intussen meer geboeid door zeekoeien. Toch bloeit er iets moois op tussen beiden. Zou het uitbotten?

    • Judith Eiselin