Recensie

Een Tristram Shandy in Den Haag

Voor het eerst in het Nederlands vertaald: ‘De zwarte heer Bazetub’ uit 1956. Een Duitser en een Braziliaan lopen een paar dagen doelloos door Amsterdam en Den Haag.

Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) kreeg het verzoek als tolk en gids op te treden voor een Braziliaanse rechtsgeleerde die een congres moest bijwonen. De Duitse schrijver, die naast Nederlands ook Portugees sprak, onderbrak het werk aan Het eiland van het tweede gezicht, waarmee hij roem zou oogsten, en nam professor Da Silva Ponto onder zijn hoede. Het zware accent waarmee die het Engelse woord voor badkuip uitsprak ligt aan de basis van de titel van de roman waarin hij figureert: De zwarte heer Bazetub (1956). Het is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.

De twee mannen lopen een paar dagen doelloos door Amsterdam, ze gaan op bezoek bij illustere juristen, die duidelijk twijfelen of ze niet een bedrieger voor zich hebben, en ze reizen naar Den Haag, waar het congres al voorbij blijkt. De missie van de Braziliaan blijft onbestemd, zoals zijn hele persoon vaag blijft.

Als gefortuneerde verschijning met een donkere huid baart hij enig opzien, in het drukke (fiets)verkeer is hij angstig, en meermaals vullen zijn ogen zich opeens met tranen, maar zijn personage wordt niet uitgediept en fungeert voornamelijk als klankbord voor de fabuleerlust van Vigo-leis, zoals de ik-verteller zich noemt. Van een serieuze intrige is geen sprake, uitweiding volgt op terzijde, waardoor het boek sterk aan Tristram Shandy van Laurence Sterne doet denken. De auteur trakteert de lezer op prachtige, lange zinnen en grappig is hij ook (‘Als ik verlegen ben begin ik te zwetsen. Er zijn mensen die zeggen dat heel mijn literatuur één grote verlegenheid is’), maar zo briljant dat je een plot en enige psychologische tekening niet mist, is zijn stijl ook weer niet. Overigens observeert Vigoleis’ niet overdreven vleiend de ‘properheidsgebruiken van een volk dat zijn smerige driften eeuwenlang heeft kunnen uitleven in de koloniën, op vreemde bodem.’

Opmerkelijk is het slot, waarin de bizarre lethargie van de Braziliaan vluchtig wordt uitgelegd. Rijkelijk laat krijgt de lezer toch nog inzicht in de gekwelde ziel van de jurist én het raciale thema wint aan gewicht. Na 620 bladzijden grilligheid en absurdisme komt dit over als een noodgreep – een conventionele – maar de roman wordt er wel beter door.

    • Marco Kamphuis