De vijftig tinten groen van het duurzame beleggen

Groene ambities De intenties zijn prachtig, de beloftes hoopvol. Financiële instellingen willen bijdragen aan de klimaatdoelen van Parijs. Maar wat is een duurzaam bedrijf, wat een groene belegging? Definities verschillen, beoordelingen ook. Toch is er vooruitgang.

Beeld Studio NRC
Beeld Studio NRC

Harde beloftes werden er gedaan, vorige week maandag in het auditorium van De Nederlandsche Bank. Daar waren op uitnodiging van de Nederlandse Vereniging van Banken zo’n tweehonderd financiële professionals van banken, verzekeraars en pensioenfondsen bijeen om te spreken over hun bijdrage aan het klimaat. Vanaf volgend jaar rapporteren zij allemaal over de klimaatimpact van hun portefeuilles, beloofden ze. En vanaf 2022 komen ze met actieplannen hoe zij hun investeringen en beleggingen in overeenstemming brengen met de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs.

Die ambities zijn mooi en logisch: klanten willen dat hun financiële instelling indirect ook bijdraagt aan een betere wereld. En waar die instellingen twee jaar geleden betrekkelijk lauw reageerden op die ambitie, is het hun nu ernst. Na een expeditie naar Spitsbergen in april 2018, waaraan 33 vertegenwoordigers van de Nederlandse financiële sector deelnamen, formuleerden zij hun ambitie om bij te dragen aan een CO2-reductie van minimaal 49 procent in 2030.

De explosie van het aanbod aan groene investeringen is volgens hoogleraar Scholtens reden voor scepsis

Van ‘klimaatvolgers’, bang dat duurzaam ten koste zou gaan van rendement, zeggen ze ‘klimaatleiders’ te willen worden. Ze willen via milieuvriendelijker aanwending van de vele honderden miljarden aan beleggingen en investeringen die door de bankbalansen lopen een katalysator zijn voor een duurzamer toekomst. Niet meer alleen profit, maar ook purpose.

Gedreven door de groeiende duurzaamheidsvraag van klanten moeten financiële instellingen dus op zoek naar groen aanbod om in te beleggen en te investeren. Als één ding in het mondiale klimaatdebat duidelijk is, dan is het dat verandering langzaam gaat. Des te verrassender is het dat de vijver waarin investeerders naar groene beleggingen of investeringen vissen de afgelopen jaren zo gigantisch veel beter is gevuld. Volgens sommigen zou inmiddels 22 procent van de wereldwijd beheerde vermogens op de een of andere manier kunnen worden beoordeeld aan de hand van duurzaamheidscriteria. Is bijna een kwart van de wereld ineens groen geworden, of is hier sprake van greenwashing?

Woud van groene ambities

Wie erachter probeert te komen hoe de vergroening van investeringen en beleggingen er concreet uitziet, is gewaarschuwd. Banken en beleggers houden er zo hun eigen methodes en rapportages op na om aan te tonen dat groene klanten bij hén op hun plaats zijn.

ING was bijvoorbeeld een voortrekker van het ‘2 graden investeringsinitiatief’, waarbij financiële instellingen zich inspannen om de opwarming van de aarde onder de 2 graden te houden. ABN Amro heeft een duurzame ambitie geformuleerd en legt haar beleggingen langs de groene meetlat van dataverzamelaar Sustainalytics. ABP voert een beleid van ‘insluiting’, gericht op verbetering van het duurzame beleid van bedrijven waarin dit pensioenfonds investeert. En de van origine groene bank Triodos combineert openbare data over duurzaamheid en uitputtend eigen onderzoek om te bepalen of een bedrijf wel een positieve impact heeft op de wereld. Met name de grote financiële instellingen zijn trots als ze een plekje stijgen op de vermaarde Dow Jones Sustainability Index, of opgenomen worden in de lijst van het Carbon Disclosure Project.

Expertsausje

„Ik zeg weleens gekscherend dat er minstens vijftig tinten groen zijn in beleggersland”, zegt de Groningse hoogleraar duurzaam bankieren Bert Scholtens. „Iedereen verzamelt zijn eigen data en gooit daar een expert-sausje overheen dat het verschil moet maken. Maar het zegt allemaal weinig. Specifieke duurzaamheidsprestaties maken geen onderdeel uit van de bestaande ratingsystemen.”

Hoe weet je als klant van een financiële instelling dan of je bank echt goed bezig is? Hoe meet je purpose?

Daarvoor is het goed om terug te gaan in de tijd. Groen beleggen en investeren is een variant van ethisch beleggen. Dat vindt zijn oorsprong in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Een religieuze gemeenschap als de Quakers daar besloot geen geld te steken in bedrijven die slavenarbeid gebruikten. Later waren religieuze groeperingen aanjagers van ethische codes die beleggen in tabak, gokken of alcohol afwezen.

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw is de inschatting van duurzaamheidsrisico’s professioneler geworden. In Nederland begonnen ASN en Triodos data te verzamelen waarop ze investeringsbeslissingen baseerden. Tot dan bestond duurzaam investeren vooral uit het weren van bepaalde categorieën bedrijven uit groene portefeuilles. Geen wapenhandel, geen oliebedrijven, geen tabak.

Voor grote gevestigde beleggers als grootbanken en pensioenfondsen is uitsluiting echter meestal een te rigide middel. Zij hebben afspraken met klanten over het behalen van rendementen. Rücksichtslos stoppen met beleggen in grote, goed renderende bedrijfstakken past niet in hun strategie en, niet te vergeten, die van hun klanten. Er moest gezocht worden naar andere methodes voor verduurzaming.

Dataverzamelaars als MSCI en Sustainalytics, die zich bezighielden met groene beleggingen, ontwikkelden rond 2005 een groene meetlat, geënt op de Principes voor Verantwoord Investeren van de Verenigde Naties. Die meetlat noemden ze ESG, Environment, Social & Governance: milieubeleid, sociaal beleid en goed bestuur. Kern daarvan is dat bedrijven gevraagd wordt te rapporteren over bijvoorbeeld hun CO2-uitstoot, of ze beleid hebben op gebied van mensenrechten en of sprake is van fatsoenlijk bestuur. Op basis van die gegevens en openbare bronnen krijgen bedrijven een ‘ESG-score’ – vaak een getal of lettercode – in navolging van traditionele kredietbeoordelaars als Moody en Standard & Poor’s. Zo ontstaan ranglijsten met bedrijven die in hun sector beter scoren dan andere: het groene equivalent van de triple-A ratings.

De meetlat die niet meet

En daar ontstaat dan gelijk een van de problemen van groene beoordelaars: waar kredietbeoordelaars voor hun oordeel kunnen terugvallen op harde, financiële, door accountants gecontroleerde gegevens, moeten groene beoordelaars het doen met zachtere data. Een rapportageplicht over de mate van duurzaamheid ontbreekt, en ook over de definities van wat groen is en wat niet bestaan grote verschillen.

Ook de American Council for Capital Formation, een non-profit onderzoeksbureau, concludeerde in april vorig jaar dat de ESG-meetlat de facto niet meet. Deze ACCF somde een reeks problemen met de ESG-scores op. Zo is er een gebrek aan standaardisatie in de scores, en scoren grote bedrijven vaak hoger op ESG-gebied dan kleinere – puur omdat ze de capaciteit hebben om beter te rapporteren. Ook blijkt een oordeel nogal af te hangen van de nationaliteit van de ESG-beoordelaar, zijn er onverklaarbare verschillen in ESG-scores van een en hetzelfde bedrijf door diverse beoordelaars, en zijn ze per saldo slecht in staat beleggingsrisico te identificeren.

Waar traditionele kredietbeoordelaars als S&P en Moody het voor 90 procent eens zijn over bedrijven die zij allebei beoordelen, is dat bij de groene meetlatten van MSCI en Sustainalytics slechts 30 procent. Anders gezegd: waar MSCI een bedrijf een hoge ESG-score toekent, kan datzelfde bedrijf bij Sustainalytics ver onder het gemiddelde scoren.

Toch zien veel financiële instellingen de toegevoegde waarde van ESG-scores. Richard Kooloos, hoofd duurzaam bankieren van ABN Amro: „Waar harde financiële data goed zijn om de korte termijn, zeg tot een jaar, in te schatten, bieden ESG-data de mogelijkheid iets verder in de toekomst te kijken.”

Juist omdat zaken als goed bestuur en milieu worden meegewogen, worden andere risico’s zichtbaar. Kooloos: „Oliegigant BP was bijvoorbeeld al een paar keer negatief in beeld gekomen bij ESG-beoordelaars vóórdat de ramp met de Deepwater Horizon zich voltrok.”

Daarentegen was Volkswagen in september 2015, dus vlak voordat het schandaal met de sjoemeldiesels uitbrak, nog industry leader op de ranglijst van ESG-rater RobecoSAM.

Volstrekt ontoereikend

Hans Stegeman, hoofd beleggingen bij Triodos Investment Management, is ambivalent over de wirwar aan groene definities. „Grote bedrijven weten precies hoe ze de vragenlijsten van MSCI of Sustainalytics moeten invullen. Dan scoren ze goed, maar weet je nog steeds niet of ze ook echt groen zijn”, zegt hij.

Ook de relatieve rankings zijn wat Triodos betreft een probleem: „Je ziet veel beleggers vergroenen door alleen nog in de best scorende bedrijven in een bepaalde sector te beleggen”, zegt hij. „Maar een oliebedrijf dat het relatief goed doet ten opzichte van andere oliebedrijven, is nog steeds een oliebedrijf.”

De explosie van het aanbod aan groene investeringen is volgens hoogleraar Scholtens reden voor scepsis. „De ESG-beoordelaars gaan nu door het totale aanbod van beleggingen. Ze kijken welke bedrijven zij onder hun scores kunnen brengen. In Europa is dat inmiddels met bijna de helft van de grote en middelgrote bedrijven gebeurd. Maar dat zegt niets over de vraag of die bedrijven daadwerkelijk duurzaam zijn of duurzamer zijn geworden. Sterker, veel bedrijven die niets aan hun beleid veranderen, komen dankzij een ESG-score ineens in beeld van duurzame beleggers. De methodologie van de rating-instellingen is volstrekt ontoereikend om dit te kunnen beoordelen.”

Volgens Scholtens kan het zelfs zo zijn dat bedrijven die nog geen ESG-score hebben, in de praktijk groener en duurzamer zijn dan bedrijven mét zo’n score.

Taxonomie

Des te interessanter is het dat Europa-breed inmiddels gewerkt wordt aan een zogenoemde ‘taxonomie duurzame investeringen’. Namens het Europees Parlement is Bas Eickhout (GroenLinks) rapporteur. Eickhout: „De verwarring over de definities moet stoppen. Daarom werken wij aan een lijst met criteria waaraan een duurzame investering moet voldoen om echt groen te heten.”

Dat is geen eenvoudige opgave, erkent hij. „Een land als Frankrijk ziet kernenergie als een schone en groene investering, terwijl daar in Duitsland heel anders over gedacht wordt.”

Eickhout zegt dat de financiële sector hem sinds zijn aanstelling als rapporteur gigantisch veel ‘belobbyt’. Zo’n beetje elke Europese bank of verzekeraar zou hij al over de vloer gehad hebben. „Dat is natuurlijk prima; het laat zien dat we met een serieus onderwerp bezig zijn. Ook de financiële sector weet wel dat het Europese raamwerk in potentie een mondiale set afspraken kan worden.”

Volgens Eickhout is de grootste angst van veel conservatieve financiële instellingen dat het een bíndend pakket wordt. „Zij vrezen dat dit hun vrije beleggingskeuze gaat beïnvloeden.” Dat is wat hem betreft precies de bedoeling, „juist om niet-duurzame investeringen te voorkomen die het financieel stelsel kunnen destabiliseren.”

Onomkeerbaar

Terug naar de Nederlandse financiële instellingen en hun ambities. Vooropgesteld: geen van de grote instellingen heeft baat bij de wirwar aan definities. Een schandaal over verkeerd gebruik van duurzaamheidsdata zal het toch al lage vertrouwen in de sector alleen maar verder schaden.

En wie voorbij de aanvankelijke scepsis kijkt, ziet ook echt zaken veranderen bij bedrijven als ING, ABP en ABN Amro.

Kooloos, hoofd duurzaam bankieren van ABN Amro: „Het is onomkeerbaar geworden. Vroeger had je een ‘strategie digitaal’ binnen bedrijven, nu is het een hele digitale strategie geworden. Datzelfde gaan we krijgen op het gebied van duurzaamheid: van een strategie over duurzaamheid naar een volledig duurzame strategie.”

    • Egbert Kalse