Recensie

Recensie

Boeken waren maar slecht voor kinderen

Boekrecensie Dat zelfs in Amsterdam boeken voor kinderen nog lang taboe waren is een van de lezenswaardigheden in het jubileumboek over 100 jaar OBA.

Reizende Bibliotheek, circa 1920-1930, te zien in de huidige OBA aan het Oosterdok.
Reizende Bibliotheek, circa 1920-1930, te zien in de huidige OBA aan het Oosterdok. Foto Mark Vos/OBA

Het is 1907 in de bibliotheekwereld. Kinderen lezen graag, maar subsidie voor kinderleeszalen en kinderbibliotheken ligt maatschappelijk gevoelig. In katholieke en anti-revolutionaire kringen is men beducht voor het uitlenen van boeken aan jeugdigen. Lectuur heeft „kwalijke effecten” en spoort aan tot zonde en genot, zoals blijkt uit dit citaat: „Sist niet van ieder slecht boek de vraag der paradijsslang: waarom eet gij niet van de vrucht van dezen boom?” Geld voor jeugdleeszalen kwam er niet – in tegenstelling tot Engeland en Amerika, waar een bloeiende kinderleescultuur bestond. Gelukkig nam de krachtdadige bibliothecaresse Annie Gebhard zelf het initiatief en richtte ze in 1912 de eerste Amsterdamse Leeszaal voor Jongens en Meisjes op, tot de leeftijd van achttien jaar. Dit sprekende detail staat in het jubileumboek Amsterdammers en hun bibliotheek. OBA 1919-2019 van Joosje Lakmaker en Elke Veldkamp.

De Bijenkorf als bieb

De Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) viert haar eeuwfeest met tal van activiteiten zoals exposities, muziek- en theateroptredens en de verschijning van dit rijk geïllustreerde boek. De geschiedenis gaat terug tot het begin van de twintigste eeuw, toen de Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken van de grond kwam. Verheffing van het volk gold als een serieuze aangelegenheid voor de stedelijke burgerij.

Kinderbibliotheek, 1940, Wijdesteeg 4. Foto Stadsarchief Amsterdam

In die tijd kwam in de stad, weliswaar dus later dan in het buitenland, alsnog een ongekende leescultuur op gang. Boekenliefhebbers en bibliothecarissen reisden naar Engeland en Amerika om de recente ontwikkelingen op dit gebied te verkennen. Kiosken, koffiehuizen met leestafels, veelsoortige winkelbibliotheekjes waar boeken tussen de bonbons en lingerie verkocht en geleend werden – waaronder pikante of pornografische werken die destijds „realistisch” heetten – en natuurlijk de boekhandels zelf, die snel in aantal toenamen. Druk bezocht was de bibliotheek van de pas geopende Bijenkorf aan de Dam; dit modemagazijn beschikte over een uitleenbibliotheek van 12.000 boeken, vooral Nederlandse romans, kinderboeken, reisgidsen, maar ook Franse, Duitse, Engelse, Spaanse en Italiaanse bellettrie. De auteurs schetsen in deze eerste hoofdstukken een boeiende ontwikkeling van het lezen in ons land in samenhang met maatschappelijke ontwikkelingen.

Om de wildgroei aan uitleenwinkeltjes te beteugelen was er vraag naar een centrale bibliotheek, en die kwam er, aan de Keizersgracht 444-446, in het voormalige hoofdkantoor van de Gemeentegasfabriek. Op 8 februari 1919 opende de Openbare Leeszaal en Bibliotheek zijn deuren, waarvan Gebhard in 1928 directeur werd. In 1977 verhuisde de centrale bibliotheek naar de Prinsengracht, in 2007 naar het huidige Oosterdok.

Tot in de roemruchte jaren van Jan Cremer en Jan Wolkers ging het verzet tegen boeken door

In het verzuilde, door dominees geregeerde Nederland heetten boeken „het papieren gevaar” en stonden „romannetjes” gelijk aan pornografie en zedenloosheid. Tot in de roemruchte jaren van Jan Cremer en Jan Wolkers ging dit verzet tegen boeken door. Het is verbijsterend te lezen hoe decennialang het lezen bestreden werd. Citaat van een bibliothecaris uit 1925: „In de OLB [Openbare Leesbibliotheek] wordt nu tegemoet gekomen aan amusement, aan het genot, aan boekverslindende hyena’s die de loketten onzer Openbare Leeszalen belegeren.” Men was bang voor zedenbedervende Schund.

In passages als deze wreekt zich de onevenwichtige opbouw van het boek. Soms krijgen details te veel uitweiding, dan weer blijft de lezer met vraagtekens achter. De Lord Lister-boekjes bijvoorbeeld werden tussen 1910 en 1960 aan honderdduizenden mannen verkocht en uitgeleend. Als lezer anno nu krijg je geen enkel beeld van deze pulp fiction.

Interieur filiaal Cinetol, 1985. Foto Frans Busselman/Stadsarchief

Van begin af aan waren de bibliotheekdirecties vervuld van één ideaal: filialen in elke nieuwe wijk, van Betondorp tot Noord. Feitelijk geldt dat nog steeds: rondom het kroonjuweel van de OBA aan het Oosterdok sieren ruim twintig bibliotheken de stad. Nu weten ruim 3,5 miljoen bezoekers per jaar de bibliotheken te vinden.

Lees ook: De bieb moest met haar tijd mee

Slordigheden

Hoe boeiend Amsterdammers en hun bibliotheek aanvankelijk ook is, geleidelijk verdwijnt die spanning en vertellen de auteurs keurig het verhaal verder, stilistisch niet echt geïnspireerd en zonder duidelijke keuze voor hoofd- en bijzaken. Bovendien ontsieren slordigheden in de auteursnamen de tekst: Harriët Beecher-Stowe in plaats van Harriet Beecher Stowe en Jo van Ammers-Küller en niet Jo Ammers-Kühler. Verwarrend is dat meerdere collecties door elkaar lopen, Amsterdam Collectie en Museum Collectie voor kinderboeken. Op de ene bladzijde is Amsterdamsche Buitensingel (1723) van Daniël Willink „het oudste boek uit de collectie” en meteen daarna heet Sinnepoppen van Roemer Visscher uit 1678 „het oudste boek”. Goed beschouwd zijn de opeenvolgende directeuren en het personeel helden en zijn bibliotheken als het brandpunt van maatschappelijke ontwikkelingen. Op de beste bladzijden van het boek komen die twee aspecten samen.

Joosje Lakmaker en Elke Veldkamp: Amsterdammers en hun bibliotheek. OBA 1919-2019. Uitg. Wereldbibliotheek, 304 blz. Geïllustreerd. Prijs € 19,90.

●●●●●