‘Bij de pannenkoekenboerderij werken schoot niet op’

Jonge ondernemers Voor piepjonge werknemers, onder de zestien jaar, gelden strenge regels: op schooldagen mogen ze niet meer dan twee uur werken, op zondag helemaal niet. Voor jonge ondernemers gelden die regels ook, alleen dáár moeten de ouders op toezien. Hoe doen ze dat?

Foto Annabel Oosteweeghel

Stel: je bent veertien jaar en wil graag een spelcomputer kopen. ‘Ga er zelf maar voor werken’, zeggen je ouders. Dus dat doe je. Als je voor een baas gaat werken, kost dat bijna de hele zomervakantie. Werk je buiten de schoolvakanties om, dan heb je er zelfs vier maanden voor nodig. Dat komt niet alleen door een minimumloon van zo’n 2,80 per uur, maar er gelden ook strenge eisen voor een 14-jarige werknemer. Die mogen op een schooldag maar twee uur per dag werken, op zondag helemaal niet.

De 14-jarige die voor zichzelf begint kan dus een stuk meer verdienen. En dat hebben ze in de gaten. Het aantal minderjarigen dat een eigen bedrijf opzet neemt sterk toe: in de afgelopen vijf jaar hebben zich zo’n 12.000 ondernemers onder de achttien jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). In 2018 was er zelfs een toename van ruim 30 procent in het aantal inschrijven ten opzichte van het jaar daarvoor, met name bij 14-, 16- en 17-jarigen. Dat zijn overigens vooral jongens: zo’n 75 procent. Bij meerderjarige zzp’ers naam het aantal inschrijvingen in 2018 met 15 procent een stuk minder hard toe.

Het populairst onder de minderjarigen zijn webshops waarin ze kleding of sieraden verkopen, het organiseren van evenementen en de zakelijke dienstverlening, meestal op technisch gebied: websites bouwen bijvoorbeeld. Jessica van El is projectmanager bij de KvK en heeft zich gespecialiseerd in (hele) jonge ondernemers. Het valt Van El op hoe serieus de jongeren zijn die zich komen inschrijven.

„Ze hebben vaak al hele concrete plannen over wat ze willen doen en zijn meestal al een tijdje bezig. Als ze tegen beperkingen aanlopen, bijvoorbeeld omdat ze geen zakelijke rekening kunnen openen, kloppen ze bij ons aan voor advies. Daarmee zijn ze beter voorbereid dan sommige volwassenen die hier langskomen.”

En hoewel sommige jongeren met een succesvolle onderneming behoorlijk wat geld kunnen verdienen, merkt Van El dat dit vaak niet eens hun belangrijkste drijfveer is. Het is volgens haar echt een „andere” generatie, die vooral met duurzaam en verantwoord ondernemen bezig is. „Er zijn er genoeg die alles wat ze aan winst overhouden meteen weer in hun bedrijf stoppen, omdat ze willen blijven groeien.”

Er geldt geen minimumleeftijd waarop iemand zich mag inschrijven bij de KvK, maar bij een minderjarige moet een ouder of voogd altijd een handtekening onder de inschrijving zetten. Dat betekent niet dat ze automatisch onderdeel van het bedrijf uitmaken, maar wel dat ze laten zien dat ze weten waar hun kind mee bezig is. De verzorger heeft bovendien financiële verantwoordelijkheden. Van El: „Een 15-jarige mag normaal gesproken ook geen telefoonabonnement afsluiten. Het is niet de bedoeling dat iemand op zulke jonge leeftijd al schulden gaat maken.”

Daarbij is het belangrijk dat er iemand toezicht houdt op de onderneming van een minderjarige. Van El: „Bij een normale arbeidsrelatie is er sprake van een gezagsverhouding, iemand die je een opdracht geeft om iets te doen.” Binnen zo’n gezagsverhouding is wettelijk bepaald dat werknemers onder de zestien jaar niet met zware spullen mogen sjouwen, op schooldagen niet te veel uren mogen werken en niet achter een bar of kassa mogen staan.

In principe gelden voor zelfstandige minderjarigen dezelfde regels, met dat verschil dat er geen werkgever verantwoordelijk is voor het naleven ervan. De ouders zijn daarom verantwoordelijk. Zij moeten ervoor zorgen dat er genoeg tijd overblijft voor school en ontspanning. Maar doen ze dat ook? En hoe dan?

Jonna Meesters (15) en vader Niels Meesters (47)

Foto Elvira Pijpers

Jonna zit in de vierde klas van het atheneum (technasium) en woont in Breukelen. Ze bouwt escaperooms voor kinderfeestjes en organiseert elk jaar een natuurzwemtocht. Ze heeft twee jongere broertjes van twaalf en tien jaar. Haar vader geeft les op een basisschool en haar moeder is huisarts, universitair docent en doet onderzoek in een ziekenhuis.

„Hallo, horen jullie mij?” De Skypeverbinding piept en kraakt, zo nu en dan krijst er een vogel door het gesprek. De 15-jarige Jonna Meesters belt uit Panama, waar ze met 35 andere middelbare scholieren, onder begeleiding van een stuurman, een kok en docenten, naartoe is gezeild. School at Sea heet het programma. In zes maanden zeilt de groep naar de andere kant van de wereld en weer terug. Op haar dertiende wist Jonna al dat ze eraan mee wilde doen, maar daarvoor moest ze wel ruim 20.000 euro ophalen.

Vader Niels voegt zich vanuit huis in het gesprek. „Ze ging op haar dertiende bij de pannenkoekenboerderij werken. Nou, daar verdiende ze iets van 2,50 per uur, dus na een hele ochtend werken had ze dan 10 euro verdiend. Dat schoot niet op.”

Jonna gooide het daarom over een andere boeg: ze ging evenementen organiseren. Op haar veertiende hield ze een natuurzwemtocht in Breukelen. Voor een tientje mochten mensen meedoen. Het eerste jaar deden er 150 mensen mee, het tweede jaar waren het er 180. Maar dat was niet alles: ze gaf diners, bouwde escaperooms voor kinderfeestjes en organiseerde zelfs een onderwijssymposium, waarvoor ze een ruimte op haar middelbare school mocht gebruiken. Haar ouders gaven tips en lieten haar zien hoe ze dingen kon aanpakken, maar de uitvoering probeerde Jonna zoveel mogelijk zelf te doen.

Op haar vijftiende had ze 19.000 euro bij elkaar gespaard. Het laatste beetje legden haar ouders bij. Jonna: „De meeste kinderen benaderen gewoon bedrijven om te vragen of ze willen sponsoren. Maar ik dacht: ik ben toch geen goed doel? Ik wilde mensen er iets voor teruggeven.”

Volgens haar vader kan Jonna „behoorlijk wat hebben”. Ze is zo’n vijf tot tien uur per week met haar onderneming bezig en dat vinden haar ouders goed. Vader Niels weet dat er regels zijn, maar daar voldoet Jonna volgens hem wel aan. „Al heeft ze natuurlijk ook een bepaalde verantwoordelijkheid naar de mensen voor wie ze iets organiseert toe. Wat wij haar meegeven is dat ze om hulp moet vragen als ze iets niet redt, bijvoorbeeld omdat ze een proefwerkweek heeft. Dan springen we bij.” En bij grote evenementen, zoals de natuurzwemtocht, helpen haar ouders en andere familieleden altijd mee.

Rubin Geerling (13) en vader Jos Geerling (49)

Foto Annabel Oosteweeghel

Rubin zit in de tweede klas van de havo en woont in Hoogkarspel. Hij geeft workshops drone vliegen en bouwen. Hij heeft een oudere zus, van vijftien jaar. Zijn vader werkt in de automatisering bij een bouwbedrijf, zijn moeder werkt op de administratieve afdeling van een zorginstelling.

Het idee voor zijn bedrijf bedacht Rubin toen hij zijn eerste drone kwijtraakte tijdens het vliegen. „Dat moet meer kinderen gebeuren”, dacht hij, en dus pitchte hij zijn idee om drone-vlieglessen te geven bij de startersdag voor kinderen van de Kamer van Koophandel. Hij werd eerste.

Omdat Rubin met zijn twaalf jaar nog heel jong was, schreef hij zich samen met zijn vader in als vennootschap. Rubin: „Ik wilde geld verdienen, maar ook iets met mijn hobby doen.” Leeftijdgenoten in de buurt gaan vaak bollenpellen, voor zo’n 2,50 per uur. „Maar als ik nu 2,50 zou verdienen, dan vind ik dat ook niet erg, want ik doe nu iets dat ik heel leuk vind.” Rubins eerste betaalde workshop was voor zijn eigen klas. Inmiddels zitten ze tot september volgeboekt en gaan Rubin en zijn vader de grens over: Vilvoorde, in België.

De twee zitten er echt „fifty-fifty” in, zegt vader Jos. Rubin geeft de workshops, waarin kinderen een kleine drone in elkaar zetten en programmeren. Daarna leert hij ze hoe ze moeten vliegen. Aan het einde van de workshop mag de drone mee naar huis. Zijn vader regelt de financiële kant: gereden kilometers, materiaalkosten, het aantal deelnemers – alles houdt hij bij. „Ik betrek Rubin daar niet in, maar hij krijgt wel twee keer per week een samenvatting. Ik krijg er energie van om hem daarvan te zien leren. En het is leuk als hij de economieleraar eens kan verbeteren.”

Ook al hebben Rubins ouders een paar duizend euro geïnvesteerd, de opbrengsten worden gelijk verdeeld. In principe mag Rubin zelf geld uit het bedrijf halen, maar zijn vader let op dat het niet uit de hand loopt. Rubins oudere zus heeft een baantje bij de plaatselijke supermarkt en het is niet de bedoeling dat Rubin veel meer te besteden heeft.

Rubin en Jos hebben het zo geregeld dat Rubin maximaal eens per twee weken een dag workshops geeft. En in de zomervakantie houden ze een stop. Tot nu toe gaat dat goed, vindt vader Jos, maar het is een balans die ze goed in de gaten moeten houden. „Als we veel aanvragen krijgen dan plannen we de afspraken verder vooruit. Gezondheid staat voorop. En misschien krijgt hij over een paar jaar andere interesses of zien we dat hij verandert, in negatieve zin. Dan trekken we de stekker eruit en kijken we terug op een mooi experiment.”

Jort Verhage (15) en vader Marc Verhage (50)

Foto Annabel Oosteweeghel

Jort zit in de vierde klas van het gymnasium en woont in Amersfoort. Zijn bedrijf heet Approved By Young Adults (ABYA). Hij is enig kind. Zijn vader is directeur bij een IT-bedrijf in de bouwsector en zijn moeder werkt als financieel rapporteur bij verzekeraar Achmea.

Als je Jort hoort praten, moet je jezelf er regelmatig aan herinneren dat je met een 15-jarige te maken hebt. Zijn vader Marc zit naast hem, maar Jort voert het woord. Hij begon op zijn dertiende met zijn bedrijf. Bedrijven en organisaties kunnen, via Jort, jongeren om advies vragen over bijvoorbeeld hun vindbaarheid online. Vaak doet hij dat zelf, soms schakelt hij ook de expertise van leeftijdgenoten in.

Hij kwam op dat idee tijdens een barbecue. „Al die volwassenen vragen ons steeds om onze mening, dus daar kon ik wel wat mee.” Zijn eerste klus was voor een vrouw die hem op de basisschool Spaanse les gaf. „Ik benaderde haar om naar haar website te kijken, ze gaf vooral les aan kinderen.” Als 13-jarige kon hij zich goed in de doelgroep verplaatsen. „Ik heb haar ook geholpen met de SEO, de search engine optimization. Daarmee zorg je ervoor dat je beter te vinden bent op Google.” Hij leerde het zichzelf via internet.

Jort weet dat klasgenoten tussen de 2,91 „en zo’n 5 tot 6 euro” per uur verdienen. Dat ze het daarvoor doen, begrijpt hij niet. „Ik zie voor zo veel mensen kansen liggen, ik snap niet waarom ze die niet aangrijpen.” Wat hij zelf voor een klus vraagt, dat zegt hij liever niet. „Het hangt af van de klant en hoeveel kennis ik van het onderwerp heb.” Op dit moment laat hij bijna al zijn geld in het bedrijf zitten, maar „het zou leuk zijn als ik er straks mijn studie van kan betalen.” Hij denkt per week zo’n tien uur met zijn bedrijf bezig te zijn.

Zijn vader is vooral positief. „Het was voor ons geen verrassing dat hij ging ondernemen. Jort is enig kind, hij trok altijd al wat meer naar volwassenen toe.” Voorheen moesten ze hem af en toe remmen in zijn schoolwerk, dan kon hij te lang doorgaan met leren. Vader Marc: „Ik heb zelf nooit het lef gehad om te ondernemen, ik vind het geweldig dat hij dit doet. Zijn moeder heeft nu ook iets opgezet. Wij stimuleren hem niet, hij stimuleert ons.”

    • Simoon Hermus