Zeilend op skivakantie in Noorwegen

Wintersport Van het water zo de sneeuw in: in Noorwegen kun je met een schip naar de bergen varen om te skiën. Het einddoel van de tocht: de berg Het Paard, 1.620 meter hoog.

Uitzicht vanaf de Framstig.
Uitzicht vanaf de Framstig. Foto Aslak Flem

Of ik al eens geroosterde schapenkop heb gegeten, vraagt Aslak Flem op de eerste avond in Noorwegen. We zijn een paar uur geleden met zijn 104 jaar oude zeilschip Framstig uit de haven van Molde vertrokken. Nu zitten we rond een kampvuur op een schiereiland in het Romsdalfjord.

Nee, ik heb nog nooit schapenkop gegeten. Net zoals ik tot vandaag ook nog nooit aan het roer van een zeilschip had gestaan. Maar terwijl de andere opvarenden de zeilen hesen, stuurde ik de Framstig door het fjord. Aan weerszijden steile rotswanden en besneeuwde bergtoppen, in de verte een zeearend, boven ons schip de wassende maan. Adembenemend.

Flem (27) spietst een van de koppen aan een tak. De vlammen likken aan het vlees, de tanden zijn duidelijk zichtbaar. Naast me kauwt Taylor Loughran uit Canada op een schapenoog. „Taaier dan ik dacht.” Samen met vijf vrienden is hij deze week in Noorwegen om een skifilm te maken. Want in de wintermaanden is de Framstig naast zeilschip ook een uitvalsbasis voor toerskitochten. Flem wijst op een top in de verte. Hesten, oftewel: Het Paard. 1.620 meter hoog. „Daar gaan we morgen heen.”

„Hier, proef de tong, dat is het lekkerst.” Scheepsmaat Fredrik Söderberg houdt me een stuk vlees voor. Het ziet er weinig appetijtelijk uit, maar ‘framstig’ betekent vrij vertaald „moedig voorwaarts” en dus neem ik een hap. En nog een. Best mals. Bovendien: ik kan wel wat extra energie gebruiken voor onze skitocht.

Met z’n tienen zijn we deze week – Flem, Söderberg, hun vriend Robert Nymark, de zes Canadezen en ik. Er kunnen maximaal twaalf mensen overnachten op het schip, maar meestal tellen de groepen niet meer dan zes of zeven passagiers. „Anders wordt het wel heel knus”, zegt Flem, terug op het schip. De stortbak van de wc is uitgerust met een hendel. Ernaast hangt een bordje: „15x op en neer bewegen om door te spoelen”. Hij glimlacht. „Je leeft hier dicht op elkaar, als een familie. Echt veel privacy heb je niet.”

Foto Aslak Flem

Behalve in je eigen kooi. In de wanden van het schip en in het vooronder bevinden zich bedstedes met een gordijntje ervoor. Je moet erin en eruit klauteren, maar van binnen zijn de kooien verrassend ruim. Zachtjes wiegt het schip me in slaap.

Oranje vellen

De volgende ochtend wekken Flem en Söderberg ons met gebakken eieren en koffie. Het weer ziet er goed uit: halfbewolkt, droog en niet te warm – temperaturen boven het nulpunt zouden het lawinegevaar vergroten.

Flem deelt avalanche beepers uit, ik stop mijn lunchpakket en wat extra warme kleren in mijn lawinerugzak, een rugzak met airbag die moet voorkomen dat ik bij een eventuele lawine onder de sneeuw bedolven raak. En dan is het tijd om de oranje stijgvellen onder mijn ski’s vast te maken, die moeten voorkomen dat ik bij het klimmen achteruit de berg afglijd. Of ik veel ski-ervaring heb, vraagt Söderberg. Ik knik, verzwijg voor het gemak dat die ervaring vooral is opgedaan in ‘gewone’ wintersportgebieden – met volop stoeltjesliften, sleepliften, pannenkoekliften. Mooi, zegt hij. „De sneeuw is wel een beetje papperig hieronder.”

Nog nooit heb ik in zoveel talen gevloekt – Nederlands, Engels, Noors – als tijdens mijn tocht omhoog. Maar wát een uitzicht

En hij beent weg, de berg op. Ik volg, zo goed en zo kwaad als het gaat – bij elke stap zak ik diep weg in de sneeuw, bij elke haarspeldbocht belandt mijn ene ski kruislings over mijn andere en val ik bijna om. Tegen de tijd dat ik weer bij de anderen ben, heb ik drie lagen kleding uitgetrokken en is mijn hoofd knalrood van de inspanning en de zon – de factor 50 die ik op mijn gezicht had gesmeerd heb ik er al in de eerste paar meters afgezweet. Nog nooit heb ik in zoveel talen gevloekt als tijdens mijn tocht omhoog. Maar wát een uitzicht: een breed groen dal, witte toppen. De wolken hebben plaatsgemaakt voor een strakblauwe lucht. Vanaf hier wordt het terrein iets vlakker, meer langlaufen dan skiën, en als de anderen de échte top willen beklimmen (we bevinden ons nu pas in het zadel van ‘Het Paard’) besluit ik op een eilandje van rotsen en struikheide een dutje te doen. Al is het hier eigenlijk te mooi om mijn ogen te sluiten. In mijn eentje op zo’n afgelegen plek in zo’n winters landschap voel ik me een ontdekkingsreiziger. Avontuurlijk, stoer en zielsgelukkig.

Foto Aslak Flem

Dat gevoel beklijft tot we aan de afdaling beginnen. Was de weg omhoog al enigszins buiten mijn comfortzone, hier naar beneden skiën is een van de spannendste dingen die ik ooit deed. Overal staan berkenboompjes. Een walhalla voor de geoefende freestyle-skiër, voor mij vooral een bijna-doodervaring. Maar de drie mannen coachen me geduldig naar beneden: ze wijzen waar ik de bochten het beste kan nemen, en rapen me op uit de sneeuw als ik val. Eenmaal aan de voet van de berg heb ik voor alle drie een diepe liefde ontwikkeld – en voel ik me een heldin.

Roodbaars en monopoly

Terug op de Framstig proosten we met akvavit op onze tocht, vervolgens eten we roodbaars en spelen we monopoly.

Terwijl hij een hotel plaatst op Rådhusplassen (de ‘Kalverstraat’ van Oslo), vertelt Flem over de geschiedenis van de Framstig. Zijn vader en zijn oom kochten het schip in de jaren zeventig en knapten het op, om er vervolgens een wereldreis van bijna twee jaar mee te maken. In de kajuit hangen zwart-witfoto’s van de twee tijdens een verblijf op Papoea-Nieuw-Guinea, en diverse speren waarmee ze vis vingen tijdens hun reis. Op de boekenplank staat het boek dat ze over hun avonturen schreven. Aan het plafond is de gitaar van Flem bevestigd: elke centimeter wordt benut.

Foto Aslak Flem

De Canadezen bevinden zich ondertussen aan dek, waar ze om beurten vanaf het 18 meter hoge kraaiennest in het water duiken. We horen geschreeuw, gelach, tegen een van de patrijspoorten spat water omhoog. Flem kijkt tevreden. „Iedereen kan doen wat-ie wil op Framstig. Niets hoeft. Laatst had ik een echtpaar aan boord van wie de vrouw gek op skiën was, en de man niet. Die ging gewoon lekker wandelen en vogels kijken.” Ik besluit na de roodbaars en een monopolyfaillissement nog een avondwandelingetje te maken. Vanaf de Framstig klim ik – de spierpijn in mijn bovenbenen negerend – de mossige rotsen op. Ik klim naar het hoogste punt van het schiereiland. In de verte hoor ik een merel zingen, verder is het stil. Zelfs het water is rimpelloos. Morgen zal ik een nieuwe berg bedwingen. Maar voor nu is dit precies wat ik wil: even helemaal niets.