Particulier DNA gebruiken: veelbelovend of gevaarlijk?

DNA Het plan van de politie om DNA van een particuliere databank in te zetten, leidt tot wisselende reacties bij wetenschappers en politici.

De recherche in Rotterdam heeft al vijf zaken geselecteerd waar de DNA-databank mogelijk ingezet kan worden.
De recherche in Rotterdam heeft al vijf zaken geselecteerd waar de DNA-databank mogelijk ingezet kan worden. Foto Catrinus van der Veen/ANP

Zijn particuliere DNA-databanken de toekomst? Die vraag wierpen de coldcaseteams van de recherche in Amsterdam en Rotterdam dinsdag op in NRC. De teams willen de particuliere Amerikaanse databank GEDmatch inzetten om de identiteit van onbekende doden te achterhalen.

In Rotterdam zijn al vijf zaken geselecteerd waar de databank mogelijk ingezet kan worden. De Amsterdamse politie is in gesprek met een Nederlands laboratorium dat kan helpen bij de uitvoering van deze specifieke DNA-techniek. In Nederland gaat het vooralsnog om onbekende doden die niet door een misdrijf om het leven zijn gekomen. Maar de particuliere databank is in Amerika al ingezet in een meervoudige moordzaak: die van de beruchte Golden State Killer.

De politie ziet heil in GEDmatch, omdat de profielen in de particuliere databank zo uitgebreid zijn dat er niet alleen directe familie mee kan worden gevonden, maar ook achterneven of achternichten. De identiteit van de persoon die gezocht wordt, kan dan gevonden worden via stamboomonderzoek.

Het plan is veelbelovend, vindt Maarten Larmuseau, postdoctoraal onderzoeker in het laboratorium voor forensische genetica van de KU Leuven. „We voorspelden al jaren dat als de politie eenmaal hun data naar GEDmatch konden uploaden dat er meteen veel cold cases zouden worden opgelost”, zegt Larmuseau.

Lees hier ons achtergrondstuk en reageer als abonnee

Dat moment lijkt nu aangebroken. „Als geneticus moet ik zeggen dat deze methode gewoon effectief werkt. Je kan mensen identificeren, zelfs als de databank vooral bestaat uit Amerikaanse profielen.”

Toch zijn er ook academici die kanttekeningen bij de plannen plaatsen. Zo vindt Peter de Knijff, hoogleraar populatie- en evolutiegenetica aan het LUMC in Leiden, het onwenselijk dat de Nederlandse overheid genetische profielen van haar eigen burgers deelt met Amerikaanse bedrijven. „Ik snap de wens heel goed”, zegt De Knijff. „Maar je moet je afvragen of dit in een buitenlandse, semi-openbare, commerciële omgeving moet plaatsvinden. Als je je profiel in zo’n database stopt, is het in principe eigendom van Amerikaanse bedrijven en kunnen ze ermee doen en laten wat ze willen.”

Volgens DNA-expert Lex Meulenbroek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is het met de vernieuwde techniek mogelijk vrijwel altijd tot een DNA-match te komen als slechts 2 procent van de bevolking op deze manier zijn of haar DNA inlevert. Dat zou in Nederland betekenen dat als 350.000 mensen hun DNA inleveren, vrijwel elk DNA-spoor uiteindelijk naar een persoon kan leiden.

Maar volgens Manfred Kayser, hoogleraar forensische moleculaire biologie aan het Erasmus MC, moeten er op het technische vlak nog hordes genomen worden. Zo leveren alleen weefselmonsters van relatief hoge kwaliteit en kwantiteit voldoende DNA op om in GEDmatch verwantschapsonderzoek mee te kunnen doen, zegt Kayser. „De vraag is: hoe vaak levert een plaats delict of een lichaam DNA op van die kwaliteit en kwantiteit?” Een typisch monster van een plaats delict is volgens hem vandaag de dag een uitstrijkje van een object dat iemand heeft aangeraakt. „En dat levert onvoldoende DNA op voor verwantschapsonderzoek in GEDmatch.”

Lex Meulenbroek van het NFI vindt dat Kayser een punt heeft. „Je hebt sporen nodig waar je voldoende DNA uit kan halen. Contactsporen of mengsporen lenen zich daar niet voor, maar bloedsporen, speekselsporen of spermaporen wel.” Als bij onbekende doden bijvoorbeeld spierweefsel wordt bewaard, kan daar volgens Meulenbroek voldoende DNA uitgehaald worden.

Hulpverlening

Ook in de landelijke politiek zijn de meningen verdeeld. Tweede Kamerlid Michiel van Nispen (SP) vindt het inzetten van een particuliere databank „een gevaarlijke ontwikkeling”. Hij wijst erop dat het gaat om een bedrijf in het buitenland, en zet vraagtekens bij de beveiliging. „Ik heb liever dat zoiets in overheidshanden gebeurt, bijvoorbeeld bij het NFI.”

CDA-Kamerlid Chris van Dam, oud-plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, vindt het positief dat de politie de databank wil gebruiken om de identiteit van stoffelijke overschotten te achterhalen. „Dit is hulpverlening van de politie, en staat los van een strafrechtelijk onderzoek. Het is heel belangrijk om nabestaanden te kunnen vertellen waar hun kind is gebleven.” Wel vindt Van Dam dat de politie dat in strafzaken niet zomaar DNA-profielen van vermoedelijke daders kan inzenden. „Daar moeten we eerst een maatschappelijke discussie over voeren.”

Een woordvoerder van het ministerie van Justitie en Veiligheid laat weten dat het nut en de noodzaak van particuliere databanken zal worden nagegaan. Daarbij wordt vooral gelet op ethische- en privacy-aspecten. „Het gaat immers om genetische gegevens die met een ander doel in die databanken zijn opgenomen.”

    • Bram Endedijk
    • Eric van den Berg