Foto Frank Ruiter

‘Ik verbeeldde me een roodborstje in mijn hoofd’

Lunchinterview Anton Dautzenberg (51) heeft al twintig jaar tinnitus. Poëzie werd zijn medicijn om de constante herrie in zijn hoofd te verdragen. „De tinnitus ging meedoen, er kwam schwung in het lawaai.”

De vraag is niet hoe hij aan die herrie in zijn hoofd is gekomen. De oorzaak van de „nucleaire ruisgeluiden” en „schrille horrorklanken” die hij voortdurend hoort, is te vinden in zijn jeugd. Vanaf zijn dertiende bezocht Anton Dautzenberg (51), schrijver, heavy metal concerten. „Als je na het concert een piep in je oren had, was je een stoere jongen.” Gehoorschade? Oorbescherming? „Daar hadden wij nog nooit van gehoord.” Sterker nog, hoe dichter je op de box stond, hoe lekkerder het voelde. „Geluid wordt organisch, het gaat in je zitten.” Zo rond zijn dertigste, tig concerten verder, nestelde de slijpende tandartsboor, de piepende remschijf, de knipperende tl-buis zich definitief in zijn gehoor. De vraag werd toen: hoe valt daarmee te leven?

Tinnitus, ook wel oorsuizen genoemd, is een aandoening die nooit meer overgaat en die niet valt te genezen. Hooguit valt de permanente piep te neutraliseren met tegengeluid. „Muziek helpt, de televisie aan, en ’s nachts in bed camoufleer ik het lawaai door met mijn vingers te bkrassen op het hoofdkussen.” Het volume varieert al naar gelang zijn stemming. „Als ik me moe voel of niet lekker, als de weerbaarheid van de geest lager is, verlies ik de grip en verwordt het tot een hels geluid.” Hij zou niet de eerste zijn die daardoor tot een wanhoopsdaad werd gedreven. „Je raakt in paniek. Het wordt te groot. Je denkt: ‘Ik moet iets.’”

Medicijnen maken je vlak. Lamme lul, lamme geest.

Zijn recept tegen tinnitus ligt voor ons op tafel in de vorm van een bescheiden bruin boekje met als titel Niet het krassen van de kraai. Op de achterkant staat dat het nummer 406 is van een oplage van 500 exemplaren. Allemaal door hem zelf gesigneerd, zegt hij, want dat geeft het net wat extra cachet. In een notitieblokje heeft hij in de trein vanuit Tilburg-Noord wat aantekeningen gemaakt van wat hij over zijn dichtbundel wil zeggen. Hij stond erop af te spreken in filmmuseum Eye in Amsterdam. De reden waarom, werd me duidelijk toen ik hem zag binnenlopen met een catalogus onder zijn arm van Jan Svankmajer, een Tsjechische, surrealistische animator die een tentoonstelling heeft in het museum. En straks, zegt Anton Dautzenberg, ga ik hier fijn naar de film. Om drie uur draait The Favourite.

Vijftien regels lang de letter u

Zelf had ik ruim tijd uitgetrokken om de bundel van tevoren te bestuderen. Maar toen las ik het eerste gedicht. Vijftien regels lang de letter u. In de gedichten die daarop volgen, verdwijnen er brokjes uit de langgerekte u’s. Tot, na een paar bladzijden, de u’s uit het gelid vallen en sierlijk over de pagina dwarrelen. Er komt beweging in, er doen ineens ook andere letters mee, er vormen zich wolkjes eeeej’s en ng’s. Klinkers en medeklinkers bespikkelen de pagina’s als vogelpootjes, of -poepjes zo je wilt. Juist. Geen rijm-poëzie, dat is wel duidelijk. Het doet denken aan het werk van Paul van Ostaijen en Jan Hanlo (‘Oote oote oote Boe’), experimentele dichters uit de vorige eeuw die experimenteerden met de klank en vorm van hun gedichten. Dautzenberg nam hun klankgedichten als inspiratie, de zijne noemt hij tinnitusgedichten. Hij opent zijn opschrijfboekje en kijkt vragend: „Zal ik uitleggen hoe dit zo is ontstaan?”

Het begon ermee dat hij stopte met antidepressiva slikken. Niet omdat die hem niet hielpen; zijn angsten en depressies verminderden, zijn intense verlegenheid verdween, net als zijn overgevoeligheid voor van alles. Misschien effenden de pillen zelfs wel de weg naar zijn debuut als schrijver, op zijn 41ste. Een paar jaar later – hij slikte ze inmiddels zeventien jaar – wilde hij van de pillen af. „Medicijnen maken je vlak. Lamme lul, lamme geest.” Om te voorkomen dat de gevoelens van weleer terug zouden komen, zegt hij, is hij zélf een medicijnkastje gaan samenstellen. In het jaar dat hij 50 werd, ging hij een dagboek bijhouden dat resulteerde in het boek Ik bestaat uit twee letters. In dat jaar zocht hij de sporen van zijn jeugd die wél gelukkig was, hij logeerde in zijn ouderlijk huis in Schaesberg, hij herstelde de relatie met zijn tweelingbroer Hub die nog in Limburg woont. De zoektocht naar het goede van zijn jeugd, en de positieve verwoording daarvan in zkv’s (zeer korte verhalen) werkten heilzaam. „De kracht van de geest valt niet te onderschatten.” Het bracht hem meer levensvreugde, en minder zelfmedelijden.

Wel heel toevallig toch, onderbreek ik hem, dat de tinnitus zich op hetzelfde moment aandiende als de eerste depressies. Beide zo rond zijn dertigste. Zou het een soms met het ander samenhangen? Dat hij depressief raakte van het geluid, of omgekeerd in zijn somberte geluiden hoorde die er helemaal niet zijn? „Voor geluid, voor prikkels in het algemeen, ben ik altijd zeer gevoelig geweest.” Daarom gaat hij zo graag in Eye naar de film, overdag. Grote zaal, lekker rustig. „Ik kan niet tegen te veel mensen. Praten, geroezemoes, zelfs fluisteren irriteert me.” Eetgeluiden, vervolgt hij, ook zoiets. „Smekken, kauwen, slikken.” Hij rilt. Zekerheidshalve bestel ik geluidloos eetbare soep, hij waagt zich aan een kroket. Voordeel van het schrijversschap, en ook een belangrijke reden waarom hij geen medicijnen meer nodig had, is dat hij nu zelf zijn tijd en omgeving kan reguleren. „Ik zit nooit meer in een kantoorsituatie. Als ik me rot voel, blijf ik drie dagen thuis.” Hij woont alleen, zijn echtgenote Maartje ook.

Doodstil op Gozo

Parallel aan zijn zelfhulp tegen angsten en depressies, is hij voor de herrie in zijn hoofd ook een oplossing gaan zoeken. Dat kwam zo: „Ik was afgelopen jaar met vakantie op Gozo, een klein eiland bij Malta.” Maartje was mee, en hij zou er vakantie houden en niet schrijven. „Maar het was er doodstil.” En als het stil is, is de tinnitus op z’n ergst. „En toen dacht ik aan mijn medicijnkastje.” Zou het mogelijk zijn de tinnitus een ander karakter, een positieve connotatie te geven. „Eerst heb ik van wat ik hoorde een onomatopee gemaakt.” Een fonetische nabootsing van de klank. Dat leverde die langgerekte ‘uuu’ op. Eén toon. Toen hij zich niet langer schrap zette, maar het geluid toeliet, brak de herrie open en ontstonden er kleuren en klanken.

Hij verbeeldde zich vervolgens dat er een roodborstje door zijn hoofd vloog, een nachtegaal, of een veldleeuwerik al naar gelang de intensiteit van de tinnitus. (Voor krassende kraaien, kakelende kippen en kloppende spechten blijft zijn hoofd gesloten.) De vogels kwetterden, zongen, floten melodietjes en vlogen figuren in de lucht. Ja, oké, soms fladderde er eentje zich te pletter tegen een geluidswal, maar meestal krabbelde het weer op en deed een nieuwe poging. „Op goed moment ging de tinnitus meedoen, er kwam schwung in het atonale lawaai.” Het klinkt theatraal, zegt hij, maar het werkte. Het laatste gedicht in de bundel bestaat ook uit één lange uuu, maar nu zijn de letters dun gedrukt. „Transparant. De tinnitus is zachter geworden. Hij staat nu aan mijn kant.”

Van iets lelijks naar iets lieflijks

Geen verzet, maar verzoening. Niet dempen, maar een podium geven. Van iets lelijks, iets lieflijks maken. Vergelijk het, zegt hij, met de angst voor de dood. „Die komt een keer. Zie je de dood als een vijand, dan ben je je leven lang in verzet. Onthaal hem als vriend, en de angst verdwijnt.” De weerslag van die omslag in denken, zie je in zijn klankgedichten. De letters heeft hij welbewust in één grootte gehouden. „Ik wil niet de agressie van de geluiden weerspiegelen.” Aha, dus de tinnitus wordt dus toch gedempt? „Als ik de ware aard zou tonen, werden de letters kolossaal.” Het papier moest zo wit mogelijk zijn, onbevlekt, rein en gastvrij. Veel wit rondom de letters ook, om de tinnitus gunstig te stemmen en vooral niet te irriteren. Drukt het wit soms ook stilte uit? Stellig: „Nee. Want het is nooit stil. Ook nu niet.” We zwijgen even om te luisteren naar het gekletter van kopjes, de sis van de schuimmakers, het salvo van mensenstemmen in het restaurant.

Lees ook: Schrijver Gregor Verwijmeren debuteerde met een roman over het fantoomgeluid in zijn brein

We bladeren verder door zijn bundel. De klanken zwermen over de pagina, verklaart hij, want dat doen vogels in vlucht ook. Maar, vraag ik, hebben klanken dan geen kleur? „O jawel,” zegt hij. „Zo veel.” De tinnitus zelf is somber en metalig grijs. Maar omgevormd tot gedicht ziet hij er één groot bont lentelandschap in. Als hij een exacte afspiegeling had willen maken van wat hij hoort, had hij een complete 3-D installatie moeten maken. Maar dat wilde hij niet. „Ik wilde het zo analoog mogelijk houden, ook als hommage aan de klankdichters van weleer en de druktechnieken van die tijd.” Poëzie is de metafoor voor de geestkracht die nodig is om „binnen- en buitenwereld op elkaar af te stemmen”. Het is een vorm van zelfcuratie, zijn methode om zijn binnenste bewoonbaar te houden. Fijn voor hem, maar wie zegt dat het ook zo werkt voor de lezer? „Iedereen mag helemaal zelf weten wat ze erop projecteren.” Korte stilte. Een lach. „Het boekje zit niet in het verzekeringspakket.” Maar stel nou dat er morgen iets gevonden wordt dat zijn „auditieve kanker” in één klap verjaagt? Het kost hem minder dan een seconde om daarop te antwoorden dat hij zich dan natuurlijk als eerste aanmeldt.

Correctie (12 februari 2019): In een eerdere versie van dit artikel werden Paul van Ostaijen en Jan Hanlo ‘dadaïsten uit de jaren vijftig van de vorige eeuw’ genoemd. Dat klopt niet: Van Ostaijen werd beïnvloed door het dadaïsme, maar was actief in de jaren ’10 en ’20. Jan Hanlo behoorde tot de Vijftigers. De betreffende passage is aangepast.