Gavin Bryars: ‘Ik behandel de dood als een dokter zijn patiënt’

Interview Gavin Bryars schreef een ‘Requiem’ bij een choreografie van David Dawson. Zaterdag is de wereldpremière in Amsterdam.

Beeld uit de voorstelling Requiem van de Britse choreograaf David Dawson.
Beeld uit de voorstelling Requiem van de Britse choreograaf David Dawson. Foto Hans Gerritsen

Je hoort het meteen: dit is muziek van een componist met wortels in de koortraditie. Stemmen kruisen elkaar als in renaissancepolyfonie. Toch is het idioom onmiskenbaar eigentijds en minimalistisch, met vocale solobijdragen sierlijk omkruld door exotische instrumenten. Flügelhorn. Oboe d’amore.

„Ik probeer graag dingen uit”, lacht componist Gavin Bryars (76), die net met zijn rolkoffertje uit Londen is aangevlogen. „Invloeden uit de oude muziek kun je zeker herkennen. Maar ik gebruik ook akkoorden die in de barok streng verboden waren. Dus wat maak ik dan? Neobarok? Postminimalisme? Zoals beeldend kunstenaar Barnett Newman zei: de artiest die probeert zijn werk te beschrijven, zoals een ornitholoog een vogel, torpedeert zijn eigen functioneren. Er zijn componisten die je in etiketten kunt vangen omdat ze vaste formules hanteren. Vivaldi bij voorbeeld, of Philip Glass. Goede componisten, daar niet van. Maar hun muziek kun je uittekenen. Zo ben ik niet.”

Eén ding kun je wel zeggen over Bryars’ veelzijdig oeuvre: de liefde voor vocale muziek zit er diep in, al sinds hij als koorknaap lange zondagen in de kerk doorbracht. Vijf opera’s componeerde hij. Boeken vol madrigalen. Zo’n twintig werken voor groot koor, waarvan The Fifth Century (2016) met een Grammy werd onderscheiden. En nu is er een nieuw, 55 minuten durend Requiem, op verzoek van choreograaf David Dawson. Het Balletorkest en het koor van De Nationale Opera brengen het deze maand in wereldpremière bij een nieuwe choreografie van Dawson, uitgevoerd door Het Nationale Ballet.

„Pas de laatste 25 jaar ben ik puur componist”, zegt Bryars. „In een ideale wereld schreef ik nu uitsluitend nog vocale muziek, liefst voor onbegeleid vocaal ensemble. Dat belichaamt voor mij de essentie van muziek: uitwisseling, luisteren, aanpassing. Pure intermenselijke harmonie. Tekst voegt daaraan dan nog een betekenis- én een aanknopingslaag toe.”

Potlood

Bryars, opgeleid als filosoof, begon zijn leven in muziek als jazzbassist in de improvisatiehoek. Hij gaf veel les, maar is als componist autodidact. „Ik heb alles op de trage manier geleerd: in de praktijk. Hoe je instrumenten inzet, hoe vingerzettingen werken. Na al die jaren heb ik inmiddels wel een absoluut vertrouwen in mijn eigen vakmanschap. Maar noem me gerust ouderwets. Ik componeer ook met papier en één soort potlood, de Aztec Scoremaster 101, die je alleen in één winkeltje in New York kon kopen. Ze worden niet meer gemaakt. Ik heb nog anderhalve doos. In die zin werk ik onder een strikte deadline. Als de potloden op zijn ben, ben ik dat ook.”

Het Requiem voor Het Nationale Ballet is niet Bryars eerste dodenmis. Toen in december 1988 zijn vriend en medewerker Bill Cadman omkwam bij de Lockerbie-aanslag, schreef Bryars als rouwarbeid het Cadman Requiem.

Zijn tweede Requiem is abstracter, zegt hij. „Destijds was ik 45, Bills dood was een aardverschuiving voor me en het Cadman Requiem een noodzakelijke persoonlijke uiting.

Maar nu? Ik ben 76 en als vanzelf meer betrokken bij het thema dood – tot ik zelf aan de beurt ben. En toch maakt juist dat mijn relatie tot het onderwerp in zekere zin objectief. Ik behandel de dood zoals een dokter zijn patiënt, of een priester de dienst. Betrokken, maar niet té. Belangrijk vind ik ook dat een Requiem, ook het mijne, is bedoeld als troost voor de levenden. Ik eindig traditioneel met het ‘In Paradisum’, dat je met een gevoel van verlichting weer de wereld in stuurt.”

Affiche

Bryars streefde bij zijn Requiem naar maximale afwisseling in de inzet van de veertig koorstemmen en het orkest. „Het ‘Agnus Dei’ is voor groot koor en volledig orkest, snel en luid. Het ‘Pie Jesu’ is juist intiem: voor twee vrouwenstemmen die als één personage in heel nauwe ligging zingen.”

En een ‘Dies Irae’, het misdeel gewijd aan de Dag des Oordeels? „Komt niet voor”, zegt Bryars. „Woede en razernij vind ik niet passen bij de dood. Wat kun je eraan doen? Niks. En met angst voor de hel heb ik ook niks. Zelfs het geloof van mijn jeugd, dat ik al snel heb afgelegd, was zacht, meer gefocust op naastenliefde.”

Opmerkelijk: op het affiche voor Requiem ontbreekt Gavin Bryars’ naam geheel – hoe beroemd hij ook is. Vermeld staat alleen die van choreograaf David Dawson. Bryars lacht er hartelijk om. „Het is al uitzonderlijk dat David een enorm respect heeft voor componisten. Denk maar niet dat choreograaf Marius Petipa in de samenwerking net zo lief was voor Tsjaikovski; die dicteerde precies welke maat hij in welk tempo wilde. David heeft alleen aangegeven wat de gewenste duur was en gaf feedback. Ik heb me heel vrij gevoeld.”

    • Mischa Spel