Opinie

Het monster van somberheid

Ellen Deckwitz

Vanochtend kroop ik uit bed en was ik verbaasd dat ik me, na weken achtereen met een grauw hoofd te zijn opgestaan, niet somber voelde. Was de wereld opeens leuk geworden? Direct schoot me weer van alles te binnen waarom het leven een tranendal is: voorlopige aanslagen, asieldieren, uitstrijkjes, de term ‘kikkerlandje’. Ik wilde meteen een fles chloor leegdrinken maar belde in plaats daarvan mijn zus, dat was goedkoper.

„Het is natuurlijk ook een beetje een keuze hè”, zei ze, „waar je aan denkt. Als ik zelf aan het droeftoeteren ben, probeer ik zoveel mogelijk afleiding te zoeken. We hebben de neiging altijd een oorzaak voor ons gemoed te zoeken, terwijl er soms geen directe aanleiding is”.

„Het lijkt alsof aan sippe dingen denken een gewoonte is geworden”, piepte ik.

„Met een gewoonte kun je stoppen”, zei ze. „Je bent immers ook gekapt met roken.”

Daar wilde ik heel wat tegenin brengen, onder andere dat ophouden met roken heel anders was, want roken had ook leuke kanten (ik kon niet zeggen welke, maar misschien was dat nog het stockholmsyndroom) maar ze onderbrak mijn betoog.

„Ik heb weleens een patiënt gehad die van zwartkijken een gewoonte maakte. Hielp hem geen steek verder. Ik gaf hem toen dat ene boek van Allen Carr over stoppen met roken, waarin hij de rookverslaving verbeeldt als een monstertje dat diep in je zit, jengelend om nicotine. Door je tabaksafhankelijkheid te personificeren heb je opeens iets concreets om je tegen af te zetten. De patiënt begon zijn neiging zich op de minpunten te richten, te zien als het voeden van een monster. Dat hielp hem geweldig.”

‘Wanneer ik zelf excuses zoek om de somberte in me te legitimeren, denk ik daaraan. Melancholie heeft natuurlijk altijd een oorzaak, of dat nou je kneuzige serotonineproductie of de boze buitenwereld is, maar je moet uitkijken dat je er niet meer bijhaalt. Dan wordt het een monster dat steeds meer leed eist om te kunnen blijven bestaan.”

De rest van de dag probeerde ik mijn sipte dus als een leedvretend monster te zien (om de een of andere reden stelde ik me daarbij een Pino met draculatanden voor), dat werkte fantastisch. Wanneer Pino om aandacht zeurde begon ik aan andere dingen te denken. Niet per se leukere dingen als wel neutralere. Hoe ik mijn kast ging opruimen. Waar het getal pi vandaan komt.

Het was misschien een illusie van grip, maar ook dat is grip, en zo bereikte ik zonder al te veel mentale kleerscheuren de avond. Vanuit het niets vroeg ik mezelf af hoe het eigenlijk met Allen Carr ging. Enthousiast ging ik op Google. Carr bleek enkele jaren geleden aan longkanker te zijn overleden. Ik hoorde Pino tevreden burpen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.