De fascinatie voor drugs begint vaak bij verhalen

Opiaat De belangstelling voor drugs begint voor veel mensen met een geromantiseerd verhaal, schrijft Martijn Meijer. Zelf zou hij liever de nuchterheid loven.

Foto’s Getty Images

Een van de bekendste literaire junkies, de Amerikaanse schrijver William Burroughs (1914-1997), vertelt in een boek dat hij als jochie nachtmerries had en bang was om te gaan slapen. „Ik herinner me een dienstmeisje dat over opium praatte en vertelde dat opiumschuiven prettige dromen geeft en ik zei toen: ‘Als ik groot ben rook ik opium.’”

Zo begint drugsgebruik: in de verbeelding. Het begint niet als je voor het eerst een joint, een pil of een lijntje aangeboden krijgt, maar als je een verhaal hoort over de fantastische effecten van deze middelen.

Toen ik een jaar of zestien was, raakte ik geïnteresseerd in drugs omdat die een ontsnapping beloofden naar een andere realiteit. Op school waren er een paar jongens over wie het gerucht ging dat ze in de pauze blowden in een parkje vlakbij. Toen ik met één van hen bevriend raakte, werd ik een keer meegevraagd. Terwijl de joint rondging, voelde ik me opgenomen in een geheimzinnige sfeer, waarbij rituelen en termen hoorden die alleen door ingewijden werden begrepen. De rest van de schooldag bracht ik door in een waas.

Het waren vooral boeken die mijn verbeelding prikkelden, classics als Les paradis artificiels (1860) van Charles Baudelaire, The doors of perception (1954) van Aldous Huxley, The basketball diaries (1978) van Jim Carroll. En natuurlijk de boeken van Jules Deelder, een man die ik bewonderde om zijn scherpe tong. Deelder gebruikte speed, daar deed hij niet geheimzinnig over, maar de meeste indruk maakten zijn verhalen over psychedelische experimenten. In de roman Gemengde gevoelens (1986) is sprake van het vulsel van ‘asthma-sigaretten’, in de jaren zestig nog zonder recept in de apotheek verkrijgbaar. Dat vulsel was stramonium, oftewel doornappel, een giftig kruid waar Deelder thee van zette. „Het bleek een inktzwarte concoctie geworden. Een echte heksendrank, versch uit de hel!” Hij drinkt er een colaglas vol van en raakt dan in een bizarre trip. Zo raakte ik ervan overtuigd dat er in de geest een wonderbaarlijke wereld verborgen lag en dat het eenvoudig was om daar toegang toe te krijgen. Bij gebrek aan stramonium probeerde ik het met paddo’s. Ik voelde me vreemd, maar de hallucinaties bleven uit.

Deelder heeft mij besmet met de romantiek rond drugs. Daarbij hoort het ideaal van stijlvolle zelfdestructie, door de schrijver kernachtig verwoord als „beter opbranden dan uitdoven”. Zelf werd hij als jongen beïnvloed door verhalen over jazzmuzikanten die gebruikten: Art Pepper, Charlie Parker en Chet Baker. „In Italië zat Chet Baker wegens dope in de bak. Dat vonden we wel wat. We waren jong en vatbaar voor legenden”, schrijft hij in Modern passé (1984).

Ik denk dat de belangstelling voor drugs vaker begint bij zulke legenden – de talloze verhalen waarin drugs verheerlijkt worden. Of verketterd. Merkwaardig genoeg maakt het nauwelijks iets uit of er een positief of negatief beeld wordt geschetst; waarschuwende woorden roepen juist een fascinatie op voor het verbodene, zeker bij jongeren. Het schijnt dat sommigen zelfs begonnen met experimenteren nadat ze de boeken over Christiane F. en Floortje Bloem gelezen hadden, boeken die bedoeld waren om de jeugd te doordringen van de gevaren van drugs.

Reclame in kunst, film, series en boeken

Drugsliteratuur heeft sinds het begin van de moderne tijd gebruikers geïnspireerd. In 1821 verscheen Confessions of an English opium-eater van Thomas de Quincey, de eerste auteur die over zijn opiumverslaving schreef. „De Quincey wordt vaak verweten, en terecht, dat zijn verschrikkelijk fascinerende meesterwerk anderen ertoe aanzet zijn voorbeeld te volgen”, schrijft Alethea Hayter in Opium and the romantic imagination (1968). „De hele literatuur over opiumverslaving staat bol van de citaten van verslaafden die bekennen dat ze door het lezen van De Quincey begonnen met experimenteren.” Ze noemt als voorbeelden de Britse dichter Francis Thompson, die het boek van zijn moeder kreeg toen hij twintig was en later zelf verslaafd raakte, en Branwell Brontë, broer van de Brontë-zusters die ook verslaafd was aan opium.

Kuifje gaat in China vermomd een opiumkit binnen en rookt een pijp – of doet alsof. Die plaatjes van Hergé hebben heel wat jonge geesten beïnvloed

De Quincey wees het idee van de hand dat zijn boek anderen zou aanzetten tot opiumgebruik: „Waarschijnlijk zal niemand opium nemen of weigeren als gevolg van iets wat hij in een boek gelezen heeft.” Het is inderdaad te simpel om een boek de schuld te geven als iemand verslaafd raakt. Wel is er in de negentiende eeuw door toedoen van De Quincey, Coleridge, Poe en andere schrijvers en kunstenaars een ‘drugsromantiek’ ontstaan die tot op de dag van vandaag voortwoekert in de vorm van verhalen, boeken, tekeningen, films, series en liedjes. Eigenlijk is deze romantiek een vorm van reclame voor producten die niet langs legale wegen aan de man gebracht kunnen worden.

Lees ook: Stellen zoeken verbinding met mdma bij kaarslicht

Er zijn vele redenen waarom mensen aan drugs beginnen, zoals groepsdruk, verveling, nieuwsgierigheid en de behoefte aan verdoving en ontspanning. Maar op de achtergrond speelt ook de romantiek een rol. Sommigen worden geïnspireerd door de verhalen over popsterren die aan de heroïne waren, anderen verheerlijken dichters die zich dooddronken. Of de bewondering gaat uit naar een buurjongen of een klasgenoot waarover wilde verhalen de ronde doen. En denk aan Trainspotting, The Wolf of Wall Street, Pulp Fiction, Fear and Loathing in Las Vegas en al die andere films waarin drugsgebruik wordt gepropageerd, om maar te zwijgen van de films waarin drankgebruik wordt aangeprezen. Tegenover deze romantiek staat de realiteit: veel gebruikers raken uiteindelijk verslaafd en betalen een hoge prijs voor hun genot.

Mijn grootvader en de opiumkit

Naast Jules Deelder kan ik nog een andere bron van mijn persoonlijke drugsromantiek aanwijzen: mijn grootvader. Begin jaren zestig zag hij als brandmeester toe op de brandveiligheid in de Amsterdamse horeca. Ook een opiumkit in de Binnen Bantammerstraat moest hij controleren. Mijn grootvader genoot een voorrecht, hij mocht een wereld betreden waar normaal gesproken alleen Chinezen toegelaten werden. In het kleine stukje Chinatown bij de Nieuwmarkt werd tot in de jaren zeventig opiumgebruik getolereerd omdat het ging om oudere Chinese mannen die verslaafd naar Nederland waren gekomen. Ook het handeltje dat ze dreven met enkele tientallen Nederlandse gebruikers werd oogluikend toegestaan.

Het verhaal van mijn grootvader over de opiumkit betoverde me toen ik een jaar of twaalf was. Het leek me een decor voor een spannend sprookje. Graag was ik in die tijd, ver voor mijn geboorte, met hem mee naar binnen gegaan in dat hol om de mannen te zien die er lagen te dromen met een glimlach op hun gezicht. Later vond ik een beschrijving in het boek Op de rug van vuile zwanen (1982) van René Stoute (1950-2000), die in de jaren zeventig in de ‘Binnen Bantammer’ zijn plak opium scoorde. Stoute schrijft: „Een zeer smalle trap voert de bezoeker naar de tweede verdieping. Daar, in een kaal vertrek, uitgestrekt op matjes, liggen de Chinezen hun pijpen te schuiven. Bij het vale licht van de walmende olielampen drinken de rokers hun thee en jagen de dromers op de draak. In het keukentje, afgebakend door een rafelige lap, roert de bejaarde kitbaas in de ketel.”

Dit kan Stoute niet zelf gezien hebben. In een interview in Vrij Nederland gaf hij toe: „We schepten tegen elkaar op, dat je in de kit was geweest. Het had zoiets magisch. Niemand kwam erin. Opium, dat was die mysterieuze Chinees, die zwijgend stond te weten. Achteraf denk ik: natuurlijk vreselijk geromantiseerd. Slauerhoff, dát beeld.”

De romantiek van drugs kent nu geen grootse strekking meer, maar blijft beperkt tot een vluchtig genot

Stoutes verbeelding zal gevoed zijn door tekeningen en verhalen waarin die magische plek een rol speelt. Denk aan The man with the twisted lip (1891) van Arthur Conan Doyle, waarin Sherlock Holmes een opiumkit bezoekt in East End Londen, of anders The mystery of Edwin Drood (1870) van Charles Dickens. En natuurlijk het Kuifje-album De blauwe lotus (1936): Kuifje gaat in China vermomd een opiumkit binnen en rookt een pijp – of doet alsof. Die plaatjes van Hergé hebben heel wat jonge geesten beïnvloed. Peter Pontiac, de striptekenaar en illustrator die in 2015 overleed aan de late gevolgen van zijn heroïnegebruik in de jaren tachtig, vertelde in een interview dat De blauwe lotus zijn interesse in drugs wekte: „Ken je dat? Dat plaatje waarop Kuifje in een opiumkit ligt, met die gelukzalige smile op zijn gezicht? In alle verhalen van Kuifje is er geen tekening te vinden waarop hij zo tevreden voor zich uit staart. Dat vond ik als jongetje heel fascinerend.” Pontiac had ook in de Binnen Bantammerstraat voetstappen liggen: „Naar binnen mocht je niet. Maar ik weet zeker dat er opiumkits zaten. Uit die souterrain-raampjes kwam een echte opiumgeur. Heroïne kon je in die tijd nog nergens krijgen.”

‘Want ik heb drank en drugs’

In de loop der tijd is de drugsromantiek van karakter veranderd. In heidense culturen werden drugs gebruikt tijdens religieuze ceremonies, waarbij de deelnemers in een collectieve extase raakten en zo dichter bij het goddelijke meenden te komen. In de negentiende eeuw ervaarden opiumrokers in hun roes nog mystieke visioenen of ze kregen inspiratie voor hun boeken of schilderijen. In de jaren zestig werden psychedelische middelen ingezet om een ‘kosmisch’ bewustzijn te bereiken en de eenwording van het mensdom te bevorderen.

Lees ook het opiniestuk van neuroradioloog Liesbeth Reneman: Xtc is zeker niet ‘relatief onschuldig’

De tegenwoordige gebruiker lijkt er vooral op uit om een kick te krijgen, zich lekker te voelen of even alles te vergeten. Het past bij een tijd waarin het verlangen naar het hogere is ingeruild voor individuele bevrediging. De romantiek kent geen grootse strekking meer, maar blijft beperkt tot een vluchtig genot. Lil’ Kleine en Ronnie Flex zingen erover in hun beruchte liedje uit 2015: „Als je bitch wil chillen, is ’t geen probleem/ Dan ga ik erheen, ik kom niet alleen/ Want ik heb drank en drugs, ik heb drank en drugs.”

Uiteindelijk heb ik mezelf bevrijd van deze romantiek nadat ik had gezien welke verwoestingen drugs kunnen aanrichten in een leven. Na een aantal jaren experimenteren begreep ik ook dat ik in wezen een sober mens ben; mijn voorkeur voor een heldere geest maakt me ongeschikt voor de zware roes. Ik hou alleen van de lichte beneveling die snel weer vervliegt.

Dat betekent niet dat ik anderen wil oproepen om hun consumptie te matigen. Ik wil alleen iets inbrengen tegen de machtige romantiek van drank en drugs. De dronkenschap is al te vaak bezongen, liever zou ik de nuchterheid loven. Want alleen met een helder verstand kunnen romantische illusies bestreden worden.

    • Martijn Meijer