De luizen zijn onverslaanbaar

Jeuk Zondag begint het nieuwe seizoen van tv-serie De Luizenmoeder. De luis heeft zich genesteld in het Nederlandse gezin – hoe je ook wast of kamt, hij komt altijd terug.

Illustratie Martien ter Veen

Aan tafel zit een vijftienjarige omstandig op haar kop te krabben. Niet naar kijken. En vooral niks over zeggen. Want na vijftien jaar weten we inmiddels: waar gekrabd wordt daar zijn luizen. Zodra je het L-woord uitspreekt, moet je er iets mee.

Luizen komen en luizen gaan maar zijn op den duur nooit te verslaan. Je kunt wassen, kammen, pluizen wat je wilt, maar na een maand, een paar maanden, een jaar zijn ze er weer. De luis is de Heintje Davids van de moderne gezinsbiotoop.

Veertigers van nu hoor je vaak zeggen: ik had als kind nooit luizen. In mijn klas op de lagere school was één jongetje met een lagere sociaal-economische status – toen heetten ze nog asocialen – van wie ze zeiden dat hij luizen had. Toen dachten we nog dat vieze kinderen luizen hadden, later leerden we dat vies haar juist luizen afschrikt, en de laatste stand is dat het allemaal geen bal uitmaakt. Hoe dan ook, één kind met luizen bestaat niet.

‘Dat is het luizenprotocol’

De luizenmoeder, de luizencape, de luizenkam, het luizenalarm, het luizenprotocol – ik leerde ze allemaal pas op volwassen leeftijd kennen. In 2006, om precies te zijn. Ik werd gebeld door een leidster van het kinderdagverblijf. Of ik de jongste onmiddellijk kon ophalen. „Nou, ik zit even met een deadline, dus eh…” „Sorry, het was geen vraag. Je moet nu je kind ophalen. Dat is het luizenprotocol.”

Tot en met groep 8 hebben we altijd braaf gehoor gegeven aan alle oproepen en alle – steeds wisselende – adviezen en voorschriften opgevolgd. Koop een cape voor de kapstok op school. Koop tea tree oil en smeer dat preventief in je nek. Was, als er tóch luizen zijn, alle beddengoed op 90 graden. Gooi alle knuffels en borstels in de vriezer.

Gooi de cape maar weg (luizen lopen niet over jassen), gooi de tea tree oil weg (helpt niet), stop met heet wassen en bevriezen (hoeft niet). Wél behandelen met anti-luizenshampoo, níet behandelen maar elke dag kammen. Tóch behandelen, maar alleen met dimeticon, en blijven kammen.

Sommige adviezen waren op (toenmalige) wetenschappelijke inzichten gestoeld, andere kwamen rechtstreeks van Klazien uut Zalk, maar de angst voor de pediculus humanus capitis was meestal sterker dan de rede. Het meest intimiderend waren de andere ouders, die met hun zogenaamd goedbedoelde ‘tips’ toch vooral hun eigen kind luisvrij probeerden te houden. („Tip voor het slaapfeestje: vraag aan mama een leuk strak knotje met veel haarlak!”)

Van paniek tot gelatenheid

De hysterie is in ruim een decennium niet veranderd – onze reactie wel. Van paniek tot gelatenheid. Van hoogste staat van paraatheid tot laisser faire (jaja, het komt allemaal door mensen zoals wij).

Af en toe ontvangen we een brief van de middelbare school dat een ouder heeft gemeld dat zijn kind luizen heeft! Met een DRINGENDE oproep tot actie. Om die brief moeten we altijd hard lachen. Stuur maar een brief als het laatste kind van zijn luizen af is.

Luizen zijn heus irritant, maar misschien nog vervelender dan de jeuk waren al die avonden dat we om 22 uur één eitje meenden te ontwaren en het hele huis op z’n kop moest om de volgende ochtend de luizenmoeder onder ogen te durven komen. Op de middelbare school is er gelukkig (nog) geen luizenmoeder en dat is een enorme bevrijding. Ik zie even niets. Ik ga Nieuwsuur kijken. Wie over jeuk begint, mag zelf kammen en shampooën.

Er groeit nu een generatie op die waarschijnlijk nooit meer van haar luizen afkomt. Als ze tachtig zijn, mogen ze hopen dat de verpleging nog tijd heeft om hun dunne haren in de XTLuis te zetten. Maar daarna houden ze hun dove oor te dicht bij de buurvrouw en hop, daar heb je ze weer. De luis is een huisdier voor het leven. Ach, zolang je er niet aan denkt, valt de jeuk best mee.

Illustratie Martien ter Veen

‘Ik zei maar niets tegen de bemanning van het vliegtuig’

Lydia van der Meer (48) gaat nooit meer op vakantie naar Kreta, zegt ze. Ze zat in de taxi naar het vliegveld toen ze luizen op het hoofd van haar jongste zoon zag lopen. Zij gillen, de taxichauffeur een hartverzakking. Die luizen waren „heel groot”, vertelt ze. In Nederland heeft zij ze „nooit meer zo groot gezien”. Zat ze op het Griekse vliegveld verwoed de luizen uit zijn haar te kammen, als de dood dat die beesten zich in het vliegtuig zouden verspreiden. Tegen de bemanning van het vliegtuig zei ze niks. „Straks mochten we niet meer mee.” Ze heeft haar straf gehad. Het duurde twee maanden voordat de luizen weg waren.

‘Kinderen zijn niet zo bang, ouders zijn vaak spastischer’

Merel de Vink (40) heeft ook een normale baan hoor, benadrukt ze, maar je zou haar inderdaad een luizen-expert kunnen noemen. Dat krijg je als je al tien jaar luizenmoeder bent op een basisschool. Elke maandag na een vakantie, of na een uitbraak, zit ze in het haar van kinderen te plukken. In de beginjaren was ze nog fanatiek, zegt ze. Uitroeien zou ze die beesten. Maar inmiddels heeft ze die strijd een beetje opgegeven. „Ze komen altijd terug.” Aan de kinderen vraagt ze altijd netjes of ze even op hun hoofd mag kijken. De meesten zijn niet bang, ouders doen wat „spastischer” over luizen. „Soms is het een anoniemerig gedoe. Dat de klassenouder appt: ‘Er is een kind met luizen in de klas.’”

‘Je roept op het schoolplein niet: hey, jongens, ik heb luis!’

Rory Blokzijl (48) kreeg op haar 47ste voor het eerst luizen. Ze had een klasgenootje van haar dochter al zien krabben, en toen waren ze allebei de klos. Woest was ze. Die „rotbeesten” moesten er onmiddellijk uit. „Ik ben in droog haar gaan raggen met die kam. Hele plukken verdwenen in de prullenbak.” Ze wilde het liever aan niemand vertellen: ze schaamde zich. „Het idee dat je dan vies bent is hardnekkig. Je komt niet op het schoolplein driftig aanstappen: ‘hey, jongens, ik heb luis!’” Uiteindelijk besloot ze er expres heel open over te zijn, zegt ze. En toen? „We waren niet meer welkom bij het verjaardagsfeest van het buurmeisje.”

‘Mijn lange haar moest eraf – ik zag eruit als een jongen’

Anke van Asselt (39) is voor een jongen aangezien door luizen, zegt ze. Toen ze in groep drie zat, was er sprake van een ware plaag. Nadat ze voor de zoveelste keer met luizen thuiskwam, had haar moeder er genoeg van, vertelt Van Asselt. Haar mooie lange haren moesten eraf. „Ik liep ineens met opgeknipte haren en een korte pony rond. Ik weet nog steeds dat ik door iemand in een winkel ‘een jongen’ ben genoemd.” Gelukkig ging het haar van andere meiden in de klas er ook af. En een schrale troost: de ouders van Van Asselt haalden altijd frietjes tegen de stank van de luizenshampoo – die ze onder haar neus hield als het spul introk.

‘Tientallen luizen vielen uit zijn haar, die over de tafel krioelden’

Marianne de Winter (55) is juf, en dus zijn haar bezoekjes aan de kapper niet altijd een ontspannen bezigheid. ‘Als ik maar geen luizen heb’, dacht ze als ‘haar’ kinderen weer eens luizen hadden. Het ergste luizenincident vond twaalf jaar geleden plaats, zegt ze, maar ze herinnert het zich nog „als de dag van gister.” „Juf, kijk eens”, riep een jongen. Hij schudde met zijn hoofd en er vielen tientallen luizen uit zijn haar die over de tafel krioelden, zegt ze. „Ik schrok me rot, ik had nog niet eerder levende luizen gezien, maar ik reageerde heel kalm. Ik vond het zo zielig voor hem.”

Interviews: Manouk van Egmond