Recensie

Recensie Boeken

De baron stort het dorp in verderf

Marc Reugebrink Niets is modieus aan de zesde roman van Reugebrink: leve de literaire lol en lak aan alles.

Illustratie Paul van der Steen

De grootste lol heb ik gehad om de majesteit aller honden. Het is de voornaamste viervoeter in de troep rond André, een man die waar hij ook gaat vergezeld wordt door een roedel wilde honden en in de volksmond dan ook André Met De Honden is gaan heten. Telkens wanneer de troep langskomt, weidt Marc Reugebrink even uit over ‘de grote zwarte hond met het draadhaar en de martiale snor’.

Een hellehond, noteer je eerst nog als brave, toegewijde lezer van Zout. Maar meteen is er ook een gevoel van ironie: zo’n overdreven hond, ‘een lelijk en vervaarlijk ogend beest’ nota bene, is eerder een running gag in de maak dan een subtiele en vernuftige voorafschaduwing van de nakende verdoemenis.

Het is een manier van grappenmaken die Marc Reugebrink op tamelijk onweerstaanbare wijze volhoudt in zijn compacte roman Zout. Er heerst steeds een sfeer van veelbetekenende dreiging, die toch nooit echt serieus te nemen is. Anders gezegd: Reugebrink schreef een historische komedie die vermakelijk blijft, dankzij een verhaal dat blijft boeien en ondanks dat er eigenlijk niet zo veel op het spel staat. Ja, alles loopt mis. Maar ach.

Verwacht van Zout geen gloeiend actuele historische fabel, geen afspiegeling van een actueel vraagstuk, geen ‘urgentie’. Niets van wat in is in de hedendaagse literatuur – er verschijnen momenteel meer Nederlandse romans die er wél een lijntje naar de actualiteit op nahouden dan die dat nalaten, en dat heeft trouwens handenvol hoogst interessante, relevante boeken opgeleverd. Maar van wereldveranderaarsproza moet Marc Reugebrink (1960), blijkens zijn verleden als criticus en essayist, niet zo veel hebben, zacht gezegd. Zo bezien is zijn zesde roman geen verbazende exercitie, maar wel van harte welkom: er zit ook een limiet aan het aantal dystopische allegorieën en grote verhalen die de staat van de wereld weergeven die je als lezer kunt verstouwen. En zo goed geschreven als Zout tref je het niet vaak.

Grommen en grauwen

Hier gaat het verhaaltje domweg over de ontdekking van een zoutwaterbron, die een reeks gebeurtenissen in gang zet, wat maar blijft doorschakelen van kwaad naar erger. Eigenlijk begint het bij een onverkwikkelijk theekransje ten huize van de baron, tevens landdrost. We bevinden ons ergens in de negentiende eeuw, in een streek waar de dorpsnamen Twents aandoen. De theevisite, een man genaamd Julius Vrijmoedt, zit ‘met half toegeknepen ogen lange tijd naar het blauwpaarse vlies op de thee in zijn kopje’ te kijken (dreiging die nooit ernstig wordt dus). Waarna hij een balletje opwerpt over waterverontreiniging – kennen de baron en barones die uitdrukking?

Lees ook: 80 boeken om deze winter cadeau te geven

Reugebrink, groot en eclectisch zinnenrijger, schrijft dan over de barones: ‘Ze staarde met afgrijzen naar het plasje dat op tafel lag, alsof ze verwachtte dat het zich ieder moment sissend en dampend door het notenhouten tafelblad zou vreten, een gat zou branden in het kostbare parket daaronder, om ten slotte uit te komen in de diepste diepten van de aarde, daar waar volgens dominee Tol het hellevuur woedt. Ze omklemde met beide handen de stoelleuningen tot haar knokkels wit zagen. En terwijl Julius Vrijmoedt sprak over buikkrampen en bloedloop, over braken en diarree, over kinderen die uitgeteerd in vochtige huizen het leven lieten, zwangere vrouwen die maanden te vroeg bevielen van bloederige wezentjes die niets menselijks meer hadden, en over nog andere zaken die beslist ongepast waren als gespreksonderwerp tijdens een namiddags thee-uurtje, voelde ze hoe iets onder haar lijfje van witkatoenen batist, iets onder haar middenrif, waar het nauwsluitende, eigenlijk te krap zittende lijfje overging in een rok met brede volans – hoe daar iets begon te grommen en grauwen.’

Het is niet het enige moment waarop Reugebrink zich zo laat gaan: vóór alles is Zout zo heerlijk en onderhoudend dankzij de vele smakelijke zinnen. (En bij dat ‘grommen en grauwen’ springt meteen die besnorde hond in je herinnering.)

Sardonisch plezier en sarrende maling zie je ook af aan de ongebreideld politiek incorrecte opvattingen van de negentiende-eeuwers.

Hoe weelderig de zinnen mogen zijn, het tempo zit er ook goed in bij Reugebrink, die zijn vertelling even vakkundig versnelt als vertraagt. Er gebeurt het nodige. De ontstane weerzin van de barones leidt tot haar subiete afkeer van alle water, waardoor ze algauw riekend en permanent in kennelijke staat verkeert, want het enige vloeibare wat ze nog aanraakt, komt uit de drankkelder. De baron laat daarop gaten graven, op zoek naar drinkwater – eerst perforeert hij dorp en ommelanden tot een modderige bende, waarbij hem de eerste zilte verrassing wacht en hij het dorp in het verderf stort. En dan schakelt hij een Hamburgse firma in om een mechanische pomp te komen installeren.

Plezier en lak

Dan gaat het verhaal nog het sterkst op de Thomas Rosenboom-toer: ingenieur Franz Deseniss is een prototypische argeloze streber die zijn tragiek onherroepelijk tegemoet gaat. Maar het niet-al-te-serieuze onderscheidt Reugebrink van de ernstiger Rosenboom (en Martin Michael Driessen, die ook niet ver weg voelt): uit Zout spreekt hoofdzakelijk literair plezier, en de lak die Reugebrink aan alles heeft. Hij trok dan ook álles uit de kast.

De lekkere zinnen natuurlijk, die precies de goede groteske snaar raken. Maar ook een ongewone vertelinstantie, een ongespecificeerde ‘wij’ die bestaat uit de mannen aan de stamtafel van dorpskroeg De Burggraaf – zo hoefde Reugebrink zijn verhaal geen echte hoofdpersoon te geven én het onderstreept het legendarische karakter ervan. Plezier en lak spreken evenzeer uit de structuur: niet-chronologisch, en we kijken beurtelings mee met de kuilen gravende terreinknecht, de machteloze baron en de teute barones, de dienstmeid, de Duitse ingenieur en de argwanende dorpelingen. Sardonisch plezier en sarrende maling zie je ook af aan de ongebreideld politiek incorrecte opvattingen van de negentiende-eeuwers: wat brandewijn maakt de tongen los over ‘de Mädels van Montmartre en over kleine zwarte meisjes met strorokjes en oben ohne in heet, donker Afrika’.

Waarom dat er moet staan? Omdat het er kan staan, omdat het klopt en past, ook al voegt het weinig toe. Zo is het ook met die hond met zijn martiale snor, die maar opduikt waar hij wil. Die is geen drager van ernstige symboliek, maar een komisch symbool voor de overtuigde Spielerei van Reugebrink. Het mag niets betekenen, maar het gebeurt tot het einde toe gloedvol – en we hebben het graag gelezen.