Recensie

De nieuwe BMW 8 stuurt licht, verwarrend licht

Autotest BMW wil de charts bestormen met de nieuwe 8-serie. Maar weet niet wat hij ermee aan moet.

De nieuwe BMW 8 Serie bij Ekris BMW in Utrecht Foto Merlijn Doomernik
De nieuwe BMW 8 Serie bij Ekris BMW in Utrecht Foto Merlijn Doomernik

Toen gabber L. en ik nog jong en onbezonnen waren, gingen we elke zaterdag op autojacht. Bij een dealer vonden we voor een fooi een redelijk geconserveerde BMW 850i. Zoiets moest een man een keer gehad hebben. Twaalf cilinders en klapkoplampen, dat wil je, en 326 pk was toen een boel. Viel dat even tegen. Het oude ding reed goed, maar van de proefrit werden we warm noch koud. Smeuïge cruiser, geen echte sportwagen.

Hadden we maar toegeslagen, want de prijzen voor de 8-serie zijn intussen fors gestegen. Dat is zo gek met grote BMW-coupés; de erkenning komt altijd later. Zelfs de spectaculaire, peperdure retro-cabrio Z8 werd pas beleggingsmateriaal na jaren kwakkelen op de occasionmarkt. De CS, Type E9, jaargangen 1968-1974: decennia muurbloem, nu een gezochte klassieker. Was de eerste 6-serie jarenlang de tokkiedroom voor bouwvakkers van 25, nu betaal je een vermogen voor het topmodel M635 CSI. Of zijn opvolgers E63 en F12 een comeback zullen beleven is geen vraag meer. De escalerende emissienormen zullen de handel in klassiekers op den duur liquideren.

De waardeontwikkeling van dure sportcoupés is sowieso een onvoorspelbaar fenomeen. Om te beginnen schrijven ze krankzinnig af. Allemaal kosten ze na vijf jaar niet meer dan een royale middenklasser. Dat is verklaarbaar. De terechte vrees voor de rijstijl van de eerste eigenaar drukt de prijzen. De snelheidsmaniak gaat toch voor de bijl, loopt leeg op het onderhoud, laat het lapwerk steeds wanhopiger aan Beun de Haas over, maar verliest onvermijdelijk de strijd. De droomauto vlamt kort maar hevig en de nabloei komt voor ambitieuze kleine luiden vaak te laat. Zijn terugkeer is de altijd onverwachte zege van de nostalgie op de verloedering. Smaakmakers kopen voor een habbekrats de laatste ongeschonden auto’s op, het ooit verketterde design krijgt eerherstel, de tweede lente kan beginnen.

Is er ook een rationele verklaring voor de onberekenbare conjunctuur van BMW’s meest ambitieuze sportcoupés? Misschien dat ze op twee fronten ongemakkelijk tussen servet en tafellaken zweven. Eén: Het zijn nooit harde sportwagens zoals een 911. BMW zocht steeds een draaglijk compromis tussen prestaties en comfort. Twee: Het design is eerder interessant dan betoverend. Onze versmade 850 was een schoonheid zonder sexappeal. De eerste 6-serie was plomp, de tweede wonderlijk, de derde heeft de lijzige gewichtigheid van Peter R. de Vries, die hem echt rijdt.

Boze grijns

Toch raakt BMW niet uitgekeken op het genre. Met de plugin-hybride i8 wist het een fraaie, door het geldvolk pijnlijk onderschatte nieuwe draai te geven aan het grond-idee. Nu wil het de charts bestormen met een nieuwe 8-serie. Hoe liggen zijn kansen?

Ik durf er niets om te verwedden. De kont is prachtig met de brede achterlichten en de pafferig gebotoxte, maar kundig met de grote vorm vergroeide achterspoiler. Van opzij bezien lijkt hij te lang geworden voor de theatrale booglijnen die de achterste wielkasten en de massieve vlakken van de flanken uit de plooi masseren. Het wat lusteloos dalende silhouet van de cabine mist profiel en karakter. De voorkant deugt. De gepunte mondhoeken van de in de breedte uitgesmeerde BMW-nieren vertrekken in een boze grijns die de iets schuin geplaatste laserkoplampen een spannend knietje geeft. Maar het lijnenspel haalt de obesitas niet uit de koets, die zijn rijklaargewicht van meer dan 1.900 kilo niet onder stoelen of banken steekt.

In strijd met die bevinding stuurt hij licht, verwarrend licht. Vierwielaandrijving en meesturende achterwielen vergasten je op een haast dierlijke beweeglijkheid. Het is een vreemde gewaarwording, die vette hap als een hot hatch over rotondes heen te blazen. Het geeft de 8 iets schizofreens, omdat je ook dan toch de massa voelt die hem op de grenzen van zijn kunnen in de weg gaat zitten. Geen nood: dan stilt het beeldamusement van het digitale dashboard of de kristallen pookknop van de achttraps automaat de geknakte sensatiezucht. Vol gas rechtuit is ook dolle pret. Accelereren doet de zescilinder diesel met 320 pk weinig slechter dan de 850i met V8 benzinemotor; het scheelt van nul naar honderd maar 1,2 seconde. Hij is snel en competent, maar inbetween als zijn voorgangers. Ik weet niet wat ik met hem aan moet.

Prijs? Vanaf honderdvijfentwintigduizend euro. Maar over vijf jaar kost hij dertig en de diesel is lachwekkend zuinig. Met wat zelfbeheersing ben je net voordat hij wordt verboden uit de kosten. Sterkte, romantici.

    • Bas van Putten