Recensie

Recensie

De gulzige moderne mens

Peter Sloterdijk De sterfilosoof presenteert zijn gedachten dik verpakt in kennis en kletspraat.

‘Spending Time’, 1986, van Martin Parr.
‘Spending Time’, 1986, van Martin Parr. Foto Martin Parr/Magnum Photos/HH
    • Nynke van Verschuer

De tijd in gedachten vatten, dat was volgens Hegel de opdracht van de filosoof. Peter Sloterdijk, een van de belangwekkendste filosofen van onze tijd, schrijft dat Hegel er volledig naast zat. Want het merendeel van de publieke en academische filosofie is wat Sloterdijk betreft niets meer dan ‘de best georganiseerde vlucht uit de tijd’. De vlucht van de publieksfilosofie bestaat uit het omsmelten van oude teksten zodat ze in zelfhulpvorm kunnen worden opgediend aan de lezer, terwijl academici zich verliezen in de geschiedkundige duiding van de filosofie. ‘Het waren altijd de marginalen’, schrijft Sloterdijk in een van zijn essays, ‘die de eer van de filosofie als actuele spreekbuis van de waarheid hebben gered.’

Zou Sloterdijk zichzelf als zo’n marginale auteur zien, als filosoof dus, als spreekbuis van de waarheid? Marginaal lijkt het laatste dat op hem van toepassing is, met zijn eigen talkshow op de Duitse televisie (2002-2012), zijn jaarlijkse optredens op Nederlandse podia, zijn (ongevraagde) commentaar bij ieder mogelijk debat – zou hij zichzelf dan onder de publieke filosofen scharen? Toch zeker niet onder de academische wijsgeren?

Twee boeken suggereren een antwoord. Bij Boom verscheen vorig jaar in vertaling de essaybundel Wat gebeurde er in de 20e eeuw?, bij Suhrkamp verschenen recent zijn dagboekaantekeningen van de jaren 2011 tot 2013, Neue Zeilen und Tage.

Shoah

Het titelessay van de bundel draait om de vraag hoe we tenminste de voorbije tijd kunnen begrijpen. Geen statistieken, geen historisch accurate beschrijving, geen foto of landkaart biedt uitkomst. ‘Ook als we de hele waarheid over de Shoah empirisch aan het licht konden brengen en alle bronnen van de vernietiging nauwgezet in kaart hadden gebracht, zouden we van het globale drama van de twintigste eeuw vermoedelijk nog maar een smal segment hebben begrepen’, schrijft Sloterdijk.

In de nieuwe roman van Houellebecq ontploft Frankrijk, uit onbehagen over de EU, de elite en de globalisering. Lees ook: Niemand in het Westen zal nog gelukkig zijn

In het essay borduurt hij voort op een lezingenreeks van Alain Badiou, in 2005 gepubliceerd onder de titel Le Siècle. Daarin stelt Badiou dat de twintigste eeuw in het teken van de ‘hartstocht voor het reële’ heeft gestaan: niet langer nemen we genoegen met metafysica, dromen over het hiernamaals of traktaten over de ideale staat. De moderne mens zorgt dat alles wat we ooit hebben verlangd hier en nu werkelijkheid wordt.

En Sloterdijk schrijft instemmend over ‘het triomferende ongeduld’: ‘Het is de eeuw van de directe realisatie, waarin het standrecht van de maatregelen de plaats inneemt van geduld, uitstel en hoop.’ Dus moest terstond en rücksichtslos gerealiseerd worden: het Derde Rijk, de communistische droom onder leiding van Lenin, Stalin en Mao, en het paradijs dat het kapitalistische Westen is, waarin alle denkbare behoeften te koop en te krijgen zijn, almaar sneller, tot de tijd tussen dromen, bestellen en in huis hebben is geminimaliseerd.

Dumpen in zee

Sloterdijk verbindt Badious hartstocht voor het reële met zijn hoofdwerk Sferen: nieuwe betekenis voor een onttoverde wereld wordt niet langer gezocht in het verwerkelijken van fundamentele ideologieën, maar in de lichtzinnige ‘massafrivoliteit’ van het consumentisme.

Dankzij die ongebreidelde gulzigheid van de moderne mens zijn we in het antropoceen ontwaakt. In het essay ‘Het antropoceen – een proces-toestand in de marge van de aardgeschiedenis?’ overweegt Sloterdijk of de antropos wel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het geologische tijdperk waarin we ons bevinden. Hij overweegt de ‘minderjarigheid van de vermeende dader’, de mensheid komt natuurlijk pas net kijken, en ook de verwaarloosbaarheid van de mens als biomassa. Sloterdijk citeert de Poolse auteur Sta-nislaw Lem, die in 1983 berekende: ‘Zou je […] de hele mensheid bijeenbrengen en op één plek samenpersen, dan zou ze een ruimte innemen van driehonderd miljard liter, dus net geen derde van een kubieke kilometer. […] Zou je dus de hele mensheid, deze vijf miljard mensenlichamen, in de oceaan dumpen, dan zou de zeespiegel niet eens een honderdste millimeter stijgen. Met deze lichte deining zou de aarde eens en voor al van mensen verlaten zijn.’ En ook vijfendertig jaar later is de massa van zeven miljard mensen een quantité négligeable. Maar als we onze anderhalf miljard koeien in beschouwing nemen, het wagenpark, landbouwgrond die bossen verdringt, dan is de mens met zijn extended habitat ineens niet meer zo onschuldig.

Sloterdijks aantekeningen beginnen met commentaar op de volgens hem volstrekt onwettige executie van Bin Laden in mei 2011, en eindigen bij de herverkiezing van Merkel in september 2013. Ze bevatten meer en minder belangrijke gedachten en gebeurtenissen uit het leven van een beroemde filosoof. Zo blijkt Sloterdijk veel tijd door te brengen op vliegvelden en moppert hij over een potje handcrème dat hij moet inleveren bij de douane, klaagt hij over Duitse hotelbuffetten vol noedelsalades, en meer aanstellerij, zoals zijn verdriet dat de dag zich niet werkelijk in woorden laat vatten – wat de uitgever toch wel diepzinnig vond want het staat ook op de flap.

Sloti

De immer behoudende Sloterdijk fulmineert tegen de ‘anarchisten’ die het basisinkomen bepleiten, maar evengoed tegen vrijemarktadepten als Alan Greenspan die straffeloos alle wetten van het bankieren breken en de rekening door een ander laten betalen. Het persoonlijkst schrijft hij over de bezoeken aan zijn vriend René Gude in Amsterdam, aan wie het boek ook is opgedragen. Gude verloor zijn been, en later zijn leven, aan botkanker – ‘Sloti’ (Gudes koosnaampje voor Sloterdijk) schrijft: ‘Castor geamputeerd, Pollux in ademnood.’

Misschien is Sloterdijks breedsprakigheid voorwaarde voor zijn filosofie, alsof hij de ruimte moet verkennen voor zijn onmiskenbaar acrobatische denkoefeningen. Hij stuurt zijn gedachten dik verpakt in encyclopedische kennis en onderhoudende kletspraat de wereld in, als kostbaarheden in bubbeltjesplastic. Misschien is dat wat hem binnen het consumentisme marginaal maakt: wat hij denkt, reduceert hij niet tot goed verkoopbare levenswijsheden, maar manifesteert zich uitwaaierend, traag onderzoekend.