Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Thuiswoonzoon

Marcel van Roosmalen

Ik zat op kosten van de publieke omroep in een taxi. De chauffeur van dienst zat al lang in het vak. Type: voor vertrek nog even een peuk op de parkeerplaats. Ik ging alvast op de passagiersstoel zitten wachten tot hij klaar was met roken en zag op tegen de klaagzang op Uber, die tegenwoordig standaard bij taxivervoer komt.

We reden weg.

Uit de speakers kwam Hazes, ‘Zomaar een plein’.

Ik zei dat het een van mijn lievelingsnummers is, waarop hij antwoordde dat hij André Hazes geregeld in de auto had gehad.

„Ik reed hem naar Waku Waku.”

Hij liet als bewijs een sleutelhanger zien, een vergeelde foto onder plastic. Hij droeg een blouse met zwarte, gele en rode driehoeken en had een arm om de nek van André, die daardoor geen kant op kon.

„Ja, dat was m’n gabber”, zei de chauffeur. „Na zijn dood heeft iedereen ’m geclaimd, maar ik ben anoniem gebleven. Ik ben niet het type dat zoiets uitvent.”

Voor iemand die zo’n vriendschap niet uitvent ging het gesprek wel lang over zijn vriendschap met de overleden volkszanger. André Hazes hield van gebakken ei met spek, van haring met augurken en vooral van bier.

In de buurt van Naarden-Bussum merkte hij op dat hij het voor André Hazes jammer vond dat hij niet meer leefde.

„Anders had ik hem nog een hit bezorgd.”

Geen idee waarom ik ‘Hoezo dan?’ zei.

Hij: „Een vervolg op kleine jongen.”

De uitleg duurde tot het Mediapark.

Het begon met een vechtpartij om een klant bij het Centraal Station en een veroordeling, een tijdelijke intrekking van de taxivergunning, een echtscheiding en eindigde met een zoon van 28 die nog steeds thuis woont.

Hij: „Ik heb last van een thuiswoonzoon, hij vliegt niet uit. Ik heb daar een tekst over geschreven, jammer dat André er niet meer is. Had hij weer een gouden idee van me gehad.”

Ik vroeg hoe het nummer heette.

Antwoord: „Grote jongen. Snap je ’m?”

Ik snapte.

Bij het uitstappen vroeg hij of ik wist aan wie hij zo’n nummer tegenwoordig kwijt zou kunnen. Ik opperde dat hij zijn sleutelhanger misschien aan André Hazes junior, de zoon van, moest laten zien.

Dat durfde hij niet.

„Meneer, ik ben veelste bescheiden.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.