Roestend Italië is moeilijk te repareren

Als eerste Europese land zit Italië weer in een recessie. Nog zorgelijker is dat het daar al jaren, zo niet decennia slecht gaat. Wat kan Italië doen en hoe kan Europa helpen? Drie opties.

Een weefmachine in de textielfabriek Erco Pizzi
Een weefmachine in de textielfabriek Erco Pizzi Giuseppe Aresu / Bloomberg

Het ‘r-woord’ klinkt weer in Europa: recessie. Komt er weer eentje aan? In één land is het al zover. En dat is niet het land van de Brexit, het Verenigd Koninkrijk, maar Italië, de derde economie van de eurozone.

In zowel het derde als het vierde kwartaal van vorig jaar kromp de Italiaanse economie licht (met 0,1 respectievelijk 0,2 procent). Twee kwartalen krimp op rij – dat is officieel een recessie. En die lijkt zich nog een kwartaal voort te zetten. Vertrouwensindicatoren over januari duiden op verdere economische krimp.

Veel zorgelijker dan een paar kwartaal-en maandcijfers is het vertrekpunt van de nieuwe Italiaanse recessie. Die komt niet na stevig economisch herstel, maar na een lange periode van stagnatie, afgezien van beperkte groei in de voorbije drie jaar.

Italië, in de naoorlogse decennia nog een groeikampioen, doet het sinds de jaren negentig steeds slechter. Met name na de millenniumwisseling – toen arriveerde ook de euro – kwam de klad erin. Het Italiaanse bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking is nu láger (26.500 euro in 2018, volgens het IMF) dan in het jaar 2000 (27.300 euro). Ter vergelijking: het gemiddelde inkomen per Nederlander ging in dezelfde periode van 36.400 euro naar 43.300 euro. Terwijl Italië amper rijker werd, stak het zichzelf verder in de schulden. De staatsschuld nam toe van 105 procent van het bbp in 2000 tot ruim 130 procent nu.

Intussen ging het flink kraken bij de Italiaanse banken. Die zitten vol met ‘slecht’ krediet – leningen die verarmde bedrijven en burgers niet of amper terugbetalen. In 2016-2017 werden drie banken gered, deels met staatssteun.

De lage groei, de hoge schuld en de kwetsbaarheid van de banken – ze versterken elkaar. Omdat het bbp niet meestijgt met de schulden, neemt de schuld als percentage van het bbp toe. Omdat de Italiaanse regering veel rente moet betalen op de schuld, kan zij minder investeren in de economie. Omdat de economie slecht draait, krijgen banken leningen niet terugbetaald. En worden ze huiverig om nieuw krediet te verlenen. En dat betekent: minder investeringen.

De laatste twee à drie jaar leek het eindelijk beter te gaan: de bbp-groei trok weer wat aan, banken ruimden een deel van de slechte leningen op, het begrotingstekort (belangrijk, voor een schuldenland) liep terug. De opleving, zo blijkt nu, was van korte duur. Wat nu? Drie opties voor Italië én voor Europa.

Uit de euro?

Euro-uittreding lijkt in één klap een hoop op te lossen. Vroeger, voor de euro, devalueerde Italië vaak de eigen munt, de lire, ten opzichte van de Duitse mark. In de jaren tachtig gebeurde dat bijvoorbeeld negen keer. Het maakte Italiaanse producten voor buitenlandse afnemers goedkoper. Italië kent van oudsher veel exporterende bedrijven, die profiteren van een lagere wisselkoers.

Toch zijn economen het onderling niet eens over de voordelen van devaluatie. „Het is niet aangetoond dat de Italiaanse economie erg profiteerde van devaluaties”, zegt Guntram Wolff, directeur van de Europese denktank Bruegel in Brussel. Uit onderzoek van collega’s van Wolff blijkt dat al die devaluaties amper leidden tot economische groei en werkgelegenheid.

Behalve de komst van de euro gebeurde er rond de eeuwwisseling wel meer: de globalisering versnelde. China meldde zich op het wereldtoneel en werd in 2001 lid van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Dat betekende nieuwe concurrentie voor de Italiaanse industrie. „Goedkope Chinese arbeid nekte de Italiaanse kledingsector en delen van de maakindustrie”, zegt Harald Benink, hoogleraar Bankwezen en Financiering in Tilburg. Italië werd een verliezer van de globalisering. Euro-uittreding is volgens Benink niet zomaar een alternatief voor wat Italië eigenlijk moet doen: hervormen, om wél weer mee te draaien in de wereldeconomie.

Een ‘Italexit’ zou enorme ellende opleveren, meent Benink. „Italië profiteert nu nog van lage rentes, juist omdat het in de eurozone zit. Valt de euro weg, dan krijg je hele hoge rentes, hele hoge inflatie en een hele grote recessie.” Hij verwacht dat de desintegratie niet ophoudt bij de euro, maar ook de Europese interne markt zal treffen. „De schade is dan niet te overzien – vooral ook voor Nederland, dat relatief veel naar Zuid-Europa exporteert.”

Productiviteit omhoog

Een lagere wisselkoers verandert weinig aan een diep onderliggend probleem: de Italiaanse economie wordt steeds minder productief, omdat het land de aansluiting verliest bij de technologische vooruitgang. De hoeveelheid welvaart die werknemers en machines gemiddeld samen produceren, groeit sinds de jaren negentig nauwelijks meer en daalde zelfs sinds 2000. De Italiaanse econoom Gianmarco Ottaviano, hoogleraar aan de Bocconi-universiteit van Milaan, deed hier onderzoek naar. Hij spreekt in een artikel over „Italiaans verval”. In Duitsland en Frankrijk bleef de productiviteit tot de financiële crisis doorgroeien, terwijl de Italiaanse economie juist minder efficiënt werd. Dit trok de bbp-groei omlaag.

Ottaviano onderzocht hoe dat kwam. Hij vond dat veel kapitaal (vooral leningen van banken) niet terecht komt bij bedrijven die innovatief zijn, bijvoorbeeld met IT, automatisering of nieuwe managementtechnieken. Wél bij bedrijven die ofwel te klein zijn voor wat ze doen, of juist te groot, en dikwijls geleid door families die niet erg competent zijn als managers. „Er bestaat in Italië de neiging om behalve het eigendom ook de leiding van bedrijven binnen de familie te houden”, zegt Ottaviano in een toelichting. Lokale banken, die vaak lange relaties onderhouden met die families, breken de financiering niet zomaar af. Wolff herkent het beeld: „Zombiebanken houden zombiebedrijven in stand.” Zowel Ottaviano als Wolff pleit voor verdere sanering en samenvoeging van de vele Italiaanse banken, om het geld wél terecht te laten komen bij ondernemers die welvaart creëren.

Europa kan Italië helpen, zegt Wolff, door grensoverschrijdende fusies van banken makkelijker te maken. Dan krijgen buitenlandse banken meer voet aan de grond in Italië. Ottaviano wijst op het belang van de kapitaalmarktunie, het EU-plan om kapitaal makkelijker door Europa te laten stromen. „We hebben zeker in Italië meer durfkapitaal nodig, zoals in de VS.”

Lees ook dit interview met econoom Luigi Zingales: ‘Als bank in Italië leen je aan je vrienden’

Schuldsanering

Hoe meer productiviteit, hoe meer economische groei, hoe lager ook de staatsschuld als percentage van het bbp. Maar de schuld van nu, 2.300 miljard euro, blijft een blok aan het been van het land, zeker als de omvang van de Italiaanse bevolking, zoals wordt voorspeld, zal dalen.

Volgens Benink is schuldverlichting onvermijdelijk. Benink zit een financieel ‘schaduwcomité’ voor van Europese economen, dat onlangs voorstellen deed om hoge staatsschulden in Europa, vooral van Italië, aan te pakken. Het recept: het land niet straffen, wat de logica is van de Europese begrotingsregels, maar juist belonen. „Steeds maar slaan met de stok werkt niet. De reputatie van Europa in Italië is sterk verslechterd. We moeten zeggen: we gaan dit sámen doen. Jullie hervormen je economie, niet omdat Duitsland dat wil, maar omdat het nodig is om mee te kunnen doen in de wereldeconomie. En na elke hervorming tonen we solidariteit, door een deel van de schuld kwijt te schelden, al dan niet gepaard met investeringen in Italië.” Volgens Benink kan het noodfonds van de eurolanden (ESM) een deel van de staatsschuld overnemen en telkens een deel kwijtschelden als Italië zijn economie concurrerender maakt, bijvoorbeeld door arbeidsmarkthervormingen.

Dat betekent voor de andere eurolanden: verliezen nemen. Ze zullen moeten „bijstorten”  in het noodfonds, zegt Benink. „Ja, dat doet pijn, maar je kunt een crisis beter voor zijn dan de situatie uit de hand laten lopen. Als Italië uit de euro valt, is dat vele malen kostbaarder.” 

    • Mark Beunderman