Opinie

    • Paul Scheffer

Het fiscale gespijbel van Davosgangers

Michael Dell wist het wel. De oprichter van het gelijknamige computerbedrijf moest in Davos niets hebben van het voorstel om de belasting te verhogen tot 70 procent voor mensen met een inkomen boven de tien miljoen dollar. Nee, met zijn eigen liefdadigheidsstichting besliste hij liever zelf over de bestemming van zijn geld dan dat in handen te leggen van de overheid.

Waar het omslagpunt ligt is moeilijk te zeggen, maar plotseling krijgt de weerzin tegen de belastingmoraal van de bovenlaag een concrete vorm. En daarbij gaat het om de hedendaagse weldoenerij, die langzaam wordt gezien voor wat het is: een moderne aflaat voor degenen die mede door belastingvermijding of speculatie hun fortuin hebben gemaakt.

De journalist Anand Giridharadas, schrijver van Winners Take All; The Elite Charade of Changing the World, hekelt iemand als Dell, met een geschat vermogen van ruim 28 miljard dollar: „Het is een groep mensen die al jaren op niet eerder vertoonde schaal belastingen ontwijkt, succesvol overheden belobbyt voor deregulering die goed is voor hen, maar slecht is voor de rest”, zei hij vorige maand tegen NRC. „Het idee van ‘goed doen’ is een soort glijmiddel geworden om het makkelijker te maken om kwaad te doen.”

Het is geen nieuws dat in een wereld waar de grenzen vervagen de rechtvaardigheid onder druk komt te staan. Kapitaal wordt steeds beweeglijker en arbeid is plaatsgebonden. De belastingdruk op arbeid is toegenomen, terwijl de belasting op kapitaal juist is afgenomen. Daarom komt een begrijpelijke roep om herverdeling op: een open economie kan niet duurzaam zijn zonder bescherming.

Met name door de opkomst van China is de gelijkheid in de wereld tussen landen toegenomen. Maar in de westerse wereld is de gelijkheid afgenomen. Eind jaren zeventig was in Amerika het belastingtarief voor topinkomens 70 procent. Nu is het bijna gehalveerd: 37 procent. Het genoemde voorstel van Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez om de echte topinkomens opnieuw te belasten met 70 procent is dus zo gek nog niet.

Sociale samenhang – zeg maar gerust beschaving – is gebouwd op rechtvaardige belastingen. Het gaat niet alleen om inkomens, want in een land als Nederland is de ongelijkheid van vermogens veel groter. De meest bekende maatstaf voor ongelijkheid – de Gini-coëfficiënt – loopt van 0 (totale gelijkheid) naar 1 (totale ongelijkheid). Terwijl de inkomensongelijkheid in Nederland relatief laag is met een score van 0,28 valt de vermogensongelijkheid in 2013 met 0,90 erg hoog uit.

In een rapport over 28 westerse landen komt ons land op een tweede plaats na de Verenigde Staten wat betreft vermogensongelijkheid. De rijkste tien procent van ons land bezit 68 procent van het totale vermogen (OESO, Inequalities in household wealth across OECD countries, 2018). Er is kritiek op deze cijfers. De pensioenopbouw is er niet in meegenomen. De Gini-coëfficiënt komt dan volgens onderzoek van het Centraal Plan Bureau uit op 0,72.

Toch is er genoeg reden om het belastingstelsel te toetsen aan deze nieuwe ongelijkheid. En dan komt het snel dichtbij. Zo bepleit econoom Paul de Beer in zijn boek Voor wie is de erfenis? een herziening van de erfbelasting, die de afgelopen decennia sterk is verlaagd: „Als 40 procent van alle vermogen afkomstig is uit erfenissen, is het aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de vermogensongelijkheid niet voortkomt uit verschillen in prestaties, maar uit de plek waar iemands wieg heeft gestaan.” (Sociale Vraagstukken, 7 april 2018). Hij miskent de morele betekenis van overdracht in families, maar wie valt over de ongelijkheid moet nadenken over de belastingdruk die nu erg op arbeid rust.

De groeiende verschillen in vermogens zijn al jaren onderwerp van debat. Nu heeft die de vorm gekregen van een vinnige polemiek over weldoeners als Bill Gates. Geen anonieme bijdrage als belastingbetaler, maar een stichting onder eigen naam – Bill & Melinda Gates Foundation – dat is het idee.

Wat de moderne liefdadigheid zo onverteerbaar maakt is niet alleen dat veel van deze grote geldgevers belasting ontwijken. Ook het gebrek aan verantwoording van hun weldoenerij valt op. De Amerikaanse onderzoeker Rob Reich schrijft: „De moderne filantropische stichting is misschien wel de minst aanspreekbare en minst transparante vorm die we kennen in onze samenleving.”

Dells houding – ik bepaal liever zelf waar ik mijn geld aan uitgeef dan die keuze uit te besteden aan een overheid – geeft een aardig idee over het wereldbeeld van nogal wat Davos-gangers. Zoals ze hun private winst hebben afgeschermd, zo dienen ze op een ontoegankelijke manier het publieke goed. Het fiscale gespijbel komt nooit alleen.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.
    • Paul Scheffer