Opinie

    • Joyce Roodnat

Haar verdriet boort zich in mij

Joyce Roodnat Joyce Roodnat voelt zich voyeur bij drie kunstwerken die haar diep raken. Sommige kunst is zo intiem, dat het bijna indecent wordt.

In de koude Oude Kerk in Amsterdam ligt op elke stoel een deken. Ik kruip eronder en bekijk de film De rit van Esther Polak en Ivar van Bekkum. Ik zie google-earth-beelden van een autotochtje. Ik hoor de motor, en een dubbele hartslag, de ene van de naamloze chauffeur, de andere van Polak. Af en toe zeggen ze iets sobers, in de trant van „het was toen een heel heldere avond”. Dat is het.

Polak was twaalf toen haar moeder fataal werd aangereden. Ruim veertig jaar later is het tijd voor dit videowerk, over een man die in de auto stapte en een vrouw die met haar gezin een avondwandeling maakte. Hun paden kruisten. En toen had een dochter geen moeder meer. De rit is geen film over begrip, of over wraak, of over verzoening. Er is alleen dit feit: Polak zit in de auto bij de man die destijds het ongeluk veroorzaakte. De auto staat stil. Hier is het gebeurd. Hier is alles. Hier is niets. Hier houdt ook de film op.

Polaks verdriet boort zich in mij. Haar film voelt als verboden terrein, voor mij, over haar. Mooi voor mij, ondraaglijk voor haar, mag ik daar wel bij? Maar: er is een kassa, publiek is de bedoeling. Ze speelt hoog spel. Dubbelspel.

Ook Saskia De Coster speelt dat spel, in haar roman Nachtouders. De hoofdpersoon logeert met haar vrouw en hun jonge zoontje in de Canadese hippiecommune waar diens biologische vader opgroeide. Het boek ontbrandt in gezinshorror. In familiedrift en liefdoenerigheid en bemoeizucht. Er sijpelt bloed. Die hoofdpersoon heet Saskia De Coster, net als de schrijfster, wat mij weer opwaardeert tot voyeur. Ik word medeplichtig, ik kies partij – en des te gretiger lees ik haar boek.

Rembrandt van Rijn: Lichtstudie met Hendrickje Stoffels (ca.1659).

Foto Rembrandthuis

Weerloos sta ik oog in oog met Rembrandts portret van Hendrickje Stoffels. Zo direct legde hij zijn geliefde vast, dat ik in 2019 de broei van haar blik in 1659 voel branden. Hier, in Het Rembrandthuis aan de Amsterdamse Jodenbreestraat, geniet ik van haar of ik zelf haar geliefde ben. En ik prijs me gelukkig dat ik haar zie, aangezien ik haar bijna gemist had. Want ik wilde deze tentoonstelling overslaan omdat ik de titel Rembrandt’s social network achterlijk vind. Wat een onbedaarlijk gebrek aan vertrouwen in Rembrandt walmt daaruit op – alsof er íémand denkt: oh, social network… nee, maar dán ga ik kijken!

Laat maar. Wat telt, is deze kleine mooie tentoonstelling over Rembrandt en zijn getrouwen, met in het middelpunt Hendrickjes uit Frankfurt gebruikleende portret. Het is zo intiem, het is bijna indecent. Haar kleding schilderde Rembrandt in losse vegen, het gaat hem om haar oogopslag. Ze kijkt achterdochtig, uitdagend, leep. Zwoel. Ze wil hem hebben. Ze hééft hem, hij weet het. En ik maak dat mee. Omdat hij haar onverschrokken heeft geschilderd.

    • Joyce Roodnat