Dit dode paard laat de hersenen lekker knetteren

Het geweldige aan poëzie is dat je met minimale middelen grote effecten kan sorteren. Neem nou dit gedicht van Maria Barnas: iemand wil naar huis zwemmen. Aanvankelijk ploegt hij gewoon door het water maar dan wordt er in de derde strofe opeens vermeld dat er een holte in hem zit ‘als een ondiepe kelder’ en boem, daar komt de meerduidigheid al. Is de holte letterlijk, een wond? Of juist een gemis?

In de volgende strofe blijkt er in die holte een levend paard te zijn begraven, wat herinneringen oproept aan heidense tijden, waarbij menig ros als grafgift aan zijn einde kwam. Aha, denk je als lezer dan, dat paard staat voor de dood, en de holte voor rouw. Net wanneer je ervan overtuigd bent dat je te maken hebt met een lekkere parabel over afscheid, strekt het paard in de een na laatste strofe opeens de benen, schudt het alle eerdere betekenis van zich af en smeert hem richting zee.

In 114 woorden verandert de interpretatie constant, is het een achtbaan van mogelijkheden dankzij de ambiguïteit van woorden, symbolen en stijlfiguren en zie je het desondanks helemaal voor je. Geen andere kunst waarvan je hersenhelften zo lekker gaan knetteren. Ik zie nu al uit naar de volgende Poëzieweek, en hoop dat Barnas dan het poëziegeschenk schrijft.