Valeria Napoleone

Foto Michael Leckie

‘De kunstwereld is nog altijd een jongensclub’

Interview De Italiaanse verzamelaar Valeria Napoleone koopt louter werk van vrouwelijke kunstenaars. Ook steunt ze musea bij aankopen. „Er zitten grote zwarte gaten in hun collecties.”

Ze houdt erg van kunstbeurzen, zegt de Italiaanse verzamelaar Valeria Napoleone. Maar kunst kopen doet ze vaak pas na afloop, in de galeries zelf. „In twee seconden moeten beslissen of een werk in mijn collectie past, is niets voor mij.”

Toch kijkt ze erg uit naar haar eerste bezoek aan Art Rotterdam, vertelt ze aan de telefoon vanuit haar woonplaats Londen. „Een kunstbeurs is voor mij een manier om onderzoek te doen, om nieuwe kunstenaars te ontdekken. Ik koop vrijwel nooit kunst op een veiling. Door bij galeries te kopen, weet ik tenminste zeker dat een deel van het geld direct naar de kunstenaar gaat.”

Op uitnodiging van kunstmagazine See All This zal Napoleone vrijdag een Q&A doen op Art Rotterdam en haar favoriete kunstenaars delen. Dat zullen allemaal vrouwelijke kunstenaars zijn, want Napoleone is een fervent voorvechtster van de feminiene zaak. Haar collectie, die zo’n 350 werken van 120 kunstenaars omvat, is geheel door vrouwen gemaakt. Met haar fonds Valeria Napoleone XX steunt ze Engelse en Amerikaanse musea bij de aankoop van kunst van vrouwen.

Napoleone, dochter van een rijke industrieel uit Lombardije, studeerde begin jaren negentig journalistiek aan New York University. Ze raakte geïnteresseerd in het reilen en zeilen van de kunstwereld toen ze daarna een master ‘art-gallery administration’ ging volgen aan het Fashion Institute of Technology. „Het was een magische tijd”, herinnert Napoleone zich. „Ik ging veel naar de nieuwe galeries in Williamsburg en ontmoette er totaal onbekende kunstenaars. Maar het waren ook de jaren dat er een sterke groep vrouwelijke kunstenaars doorbrak, onder wie Cindy Sherman, Shirin Neshat en Barbara Kruger. Hun feministische beeldtaal vond ik geweldig.”

Lees ook dit interview met de Guerrilla Girls

In diezelfde tijd waren er de protesten van de Guerrilla Girls, de kunstenaarsgroep die de New Yorkse musea er fijntjes op wees dat het bar slecht gesteld was met de man-vrouwverhoudingen in hun collecties en tentoonstellingen. „Zij maakten mij bewust van de segregatie in de kunstwereld”, vertelt Napoleone. „Ik kon maar niet begrijpen waarom het werk van zoveel geweldige kunstenaars gemarginaliseerd werd, puur omdat ze vrouw waren. Dus heb ik vanaf het allerprilste begin kunst van vrouwen gekocht.”

Haar eerste aankoop, een zwart-witfoto van Carol Shadford, deed ze ruim twintig jaar geleden. Heeft ze het gevoel dat er in die twee decennia in de kunstwereld iets is veranderd in de rolverdeling van mannen en vrouwen? Napoleone: „Het enige verschil is dat de discussie nu openlijk gevoerd wordt. Maar de statistieken wijzen uit dat we er nog lang niet zijn. Er zitten grote zwarte gaten in de collecties van de musea, en het zal vele generaties duren voordat die lacunes gevuld zijn. De belangrijke vraag is nu: wat gaan we doen om dit te veranderen? De rol van musea is daarbij cruciaal: zij moeten de vrouwelijke kunstenaars een plek geven, in hun collecties en tentoonstellingen.”

Sommige kunstenaressen zijn al ver in de tachtig en hebben nog steeds geen monografie

Vrouwelijk chromosoom

Zelf geeft de kunstverzamelaar een goede voorzet met haar stichting Valeria Napoleone XX – de naam verwijst naar het vrouwelijke chromosoom, maar staat ook voor samenwerking – die ze in 2015 oprichtte. In New York sponsort het fonds jaarlijks een opdracht voor een beeld dat zal worden opgenomen in de collectie van het Sculpture Center. En in Londen financiert ze ieder jaar de aankoop van een bestaand werk van een nog levende vrouwelijke kunstenaar voor een Brits museum. „Met de musea die zich daarvoor aanmelden, ga ik het gesprek aan. Ik vraag ze hoeveel vrouwen in hun collectie gerepresenteerd zijn. Meestal is dat tussen de 0 en 5 procent, bij uitzondering is het 10 procent. Maar 0 is helaas nog maar al te vaak de norm.”

Ook sponsort Napoleone in New York tentoonstellingen van vrouwelijke kunstenaars die door studenten kunstgeschiedenis worden georganiseerd. „Op die manier begin je bij de bron”, zegt ze. „Het is van groot belang dat een nieuwe generatie kunsthistorici zich gaat richten op de oeuvres van vrouwen. Sommige kunstenaressen zijn al ver in de tachtig en hebben nog steeds geen monografie. Een kritisch discours is wat we het hardste nodig hebben: er moet over die vrouwen geschreven worden.”

Hoe verklaart ze die blijvende ongelijkheid? „Er is nog steeds een glazen plafond, zeker in de kunstwereld. En hoe hoger je in de piramide komt, hoe dikker het glas. De grote musea in de wereld worden nog steeds gerund door mannen. Ook de meeste verzamelaars zijn man. De kunstwereld is dus nog steeds een jongensclub. En de kunstmarkt, die vooral gericht is op snel geld verdienen, doet hard mee aan die discriminatie. Die vertrouwt de carrières van vrouwen niet. Zij kunnen zwanger raken, dan kan de productie opeens stoppen. Zo is er een heel systeem ontstaan dat maar één geslacht bevoordeelt: de witte man.”

Midcareer crisis

In rap Engels met een zangerig Italiaans accent vertelt Napoleone over de ‘midcareer crisis’ waar veel vrouwelijke kunstenaars volgens haar mee te kampen krijgen. „In het begin is hun werk jong en hot, maar na twintig of dertig jaar kijkt er niemand meer naar ze om.” Als voorbeeld noemt ze kunstenaars als Margarita Manzelli, de vijftigjarige Italiaanse die nu pas een solo krijgt in New York, en Ghada Amer (55), een van de eerste kunstenaars van wie ze werk kocht. „Ghada heeft op alle belangrijke biënnales geëxposeerd en zou intussen veel verder in haar carrière moeten zijn. Maar haar werk is nog nooit in Engeland getoond of door een Brits museum aangekocht.”

Daarom, zegt ze, koopt ze vooral werk van deze ‘midcareer’ kunstenaars. „Het is toch bizar dat je voor hetzelfde bedrag dat je betaalt voor een werk van een hippe kunstenaar van 27 ook twee werken kunt kopen van een vijftiger – een kunstenaar van wie je al twintig jaar de ontwikkeling in haar oeuvre kunt volgen.”

Ook de Nederlandse kunstenaar Lily van der Stokker (64) bleef te lang onder de radar, vindt Napoleone. „Ze had veel invloed op jonge kunstenaars, maar is altijd een curator’s artist gebleven.” Zelf is de Italiaanse een groot fan van Van der Stokker, en kocht ze meerdere werken van haar aan. Haar ontbijttafel is door de Nederlandse vol vrolijke bloemetjes geschilderd, en op de muur in haar woonkamer stond tot voor kort ‘100 % stupid’ geschreven, in Van der Stokkers kenmerkende meisjeshandschrift. „Helaas moesten we dat werk overschilderen omdat we onlangs zijn verhuisd, maar in ons nieuwe huis zal ze het werk opnieuw maken.”

Ook in haar slaapkamer hangt een werk van Van der Stokker, met de cynische tekst: ‘Cheap artworks easy to understand. We also sell socks!’ „Lily is de koningin”, lacht Napoleone. „Ze heeft een unieke beeldtaal, die lief lijkt maar ondertussen zeer vilein is. En ze snijdt thema’s aan die je in de beeldende kunst niet vaak ziet, zoals liefdesverdriet, de kwalen van het ouder worden, of hoe om te gaan met schulden. Ik vind haar een zeer dappere kunstenaar. Het is fijn dat ze nu eindelijk erkenning krijgt, met grote solo’s in het Stedelijk Museum in Amsterdam en later dit jaar in het Migros Museum in Zürich.”

En toch, zo ziet ook Napoleone, begint het tij langzaam te keren. Op grote kunstmanifestaties zoals de Documenta en de Biënnale van Venetië zie je de laatste jaren een trend dat werken van vergeten tachtigjarige of overleden kunstenaressen worden herontdekt. „Dat klopt”, zegt de verzamelaar. „Ik zeg daarom vaak grappend tegen vrouwelijke kunstenaars die in de vijftig zijn: wacht gewoon dertig jaar, dan word je vanzelf herontdekt. Maar ik support die vrouwen liever nu, als ze nog in leven zijn.”