Zuid-Amerikaanse langnekdino had woeste stekels

Paleontologie In Argentinië is een nieuwe langnekdino ontdekt. Bajadasaurus had een imposante stekelrij. Maar waartoe diende die?

Een replica van het skelet en een reconstructie van Bajadasaurus pronuspinax.
Een replica van het skelet en een reconstructie van Bajadasaurus pronuspinax. Foto Agustin Marcarian

In het Argentijnse Patagonië hebben paleontologen botresten gevonden van een onbekende dinosaurussoort. Het gaat om nekwervels en een deel van de schedel van een plantenetende langnekdino met opvallende stekels. Maandag maakten de Argentijnse onderzoekers de ontdekking bekend in het wetenschappelijke tijdschrift Scientific Reports.

De onderzoekers hebben de dino Bajadasaurus pronuspinax gedoopt – een verwijzing naar de vindplaats Bajada Colorada. Pronuspinax staat voor de voorovergebogen stekels van het dier. De viervoeters waren zo’n tien meter lang en leefden in het vroege Krijt, zo’n 140 miljoen jaar geleden. Bajadasaurus behoort net als bijvoorbeeld de Amargasaurus, een andere stekellangnek, tot de Dicraeosauridae-familie, en is een verre verwant van de Diplodocus.

Schedel en nekwervel van Bajadasaurus.

Scientific Reports

Woest onpraktisch

„Het eerste wat opvalt zijn die woest onpraktische, naar voren gerichte stekels”, zegt paleontoloog Anne Schulp, werkzaam bij Naturalis. „We wisten dat er in die familie van langnekken al meer spectaculaire uitsteeksels voorkwamen. Maar dit is echt wel een tandje extremer.”

Volgens de Argentijnse paleontologen bracht de Bajadasaurus het merendeel van zijn tijd door met het eten van planten op de grond. Met ogen boven op de schedel kon het dier nog naar voren blijven kijken terwijl het met de kop naar beneden graasde.

De lange stekels op de rug zouden als verdediging tegen roofdieren kunnen hebben gediend. Een laag keratine – het materiaal van nagels, hoorns en haren – zou de stekels beschermd hebben tegen breuken. Doordat de botten in slechte staat zijn, konden de paleontologen geen sporen zien van keratine. Bij de Amargasaurus zijn die sporen wél gevonden.

Een andere verklaring is dat de stekels het dier hielpen op temperatuur te blijven. „Dieren van dat formaat hebben praktische problemen met hun temperatuurhuishouding. Al dat volume gaat gepaard met veel warmteontwikkeling. Die warmte moet via het huidoppervlak worden afgevoerd. Kijk maar naar olifanten, die hebben amper haar op hun lichaam”, aldus Schulp. Met een huidkwab op de rug, ondersteund door de stekels, zou het dier extra warmte kwijt kunnen raken.

Aandachttrekkende huidkwab

Schulp vindt het ook aannemelijk dat de stekels met huidkwab dienden voor seksuele aandachttrekkerij. „Maar om die theorie te testen zou je wel tien of twintig exemplaren moeten opgraven, en dan kijken of je daar verschillen in kunt vinden tussen mannetjes en vrouwtjes.” En de uitdaging ligt juist in het vinden van zulke intacte fossielen. Grote botten worden gemakkelijk fossiel, maar zo’n intacte schedel en nek zullen paleontologen niet gauw tegenkomen.

Desondanks zijn in Zuid-Amerika de laatste jaren veel nieuwe langnekdino’s (sauropoden) gevonden. Tijdens het Jura en het Krijt, de tweede helft van het ‘dinotijdperk’, verliep de evolutie van de dieren op elk continent verschillend. De biodiversiteit werd daarmee heel groot, waardoor er tot op de dag van vandaag nog veel nieuwe soorten ontdekt worden. Schulp: „Het tempo van elke week of twee weken een nieuwe soort houden we al een paar jaar vol. De dinosauriërs zijn gedurende meer dan 160 miljoen jaar heel succesvol geweest.”