Foto Tali Mayer

Loskomen van een extreem gelovige gemeenschap: ‘Ze doen alsof ik een besmettelijke ziekte heb’

Israël Een stijgend aantal jongeren stapt uit de strenge ultraorthodoxe joodse gemeenschap. „Als ze ons zouden omarmen, zou iedereen terugkomen.”

Dvori Marmurstein (25) gooit haar leren jack uit en ploft op de bank in het appartementje dat ze deelt met drie andere jonge vrouwen. Ze komt net thuis van haar werk bij een opticien. Marmurstein, met lang donkerbruin haar, een neuspiercing en knalrode lippenstift, groeide op in een ultraorthodox-joodse wijk in Jeruzalem en probeert nu haar leven buiten de gemeenschap op te bouwen. Dat gaat met horten en stoten. „Mijn familie zit te wachten op het moment dat ik val. Zodat ze kunnen zeggen: zie je wel.”

Steeds meer jongeren zeggen het door religie en strenge leefregels gedomineerde ultraorthodox-joodse leven vaarwel. In een recent onderzoek in opdracht van een organisatie voor ex-ultraorthodoxen wordt het aantal jonge ‘vertrekkers’ geschat op ongeveer duizend per jaar. De meesten verlaten de gemeenschap tussen hun achttiende en vijfentwintigste.

Volgens het Israëlische bureau voor de statistiek verlaat op dit moment ongeveer één op de tien ultraorthodox opgegroeide jongeren de gemeenschap waarin mannen worden geacht hun leven te wijden aan religieuze studie en de belangrijkste taak van de vrouw is om veel kinderen groot te brengen. Omdat ultraorthodoxen nog steeds drie keer zo veel kinderen krijgen als seculiere Israëliërs, grappen sommigen dat dankzij al die afvalligen ultraorthodoxe moeders inmiddels meer seculiere Israëliërs produceren dan seculiere moeders.

Als jongeren uit de gemeenschap willen stappen, lopen ze vaak tegen nieuwe problemen aan. De ultraorthodoxe bevolkingsgroep telt ruim een miljoen mensen en bestaat eigenlijk uit meerdere gemeenschappen, waarvan de een nog strenger is dan de andere.

Ik moest zo snel mogelijk trouwen, ze waren bang dat ik anders op het slechte pad raakte

Dvori Marmurstein groeide op als jongste van acht in een ultraorthodox gezin, met alle regels en gebruiken die daarbij horen. Thuis werd jiddisch gesproken, de historische omgangstaal van joden in Europa. Net als haar moeder droeg Dvori lange rokken. Hoewel veel ultraorthodoxe jongeren tegenwoordig wel een mobiele telefoon hebben, al dan niet stiekem, had Dvori die „natuurlijk niet”, zegt ze. „Mijn familie was extreem gelovig. Ons gezin was totaal afgesloten van de buitenwereld. We hadden geen televisie, geen radio, we volgden geen nieuws of verkiezingen.” In de klas werd ze gepest omdat haar moeder Jemenitisch was, terwijl de meeste klasgenotes van Europese afkomst waren. „Ik moest steeds bewijzen dat ik was zoals zij.” Op de religieuze school leerden ze Hebreeuws, maar geen wiskunde of Engels.

Mannen mochten haar niet zien

Haar ouders hadden een winkel in huishoudelijke wegwerpartikelen. Toen ze elf was, ging die ineens dicht. Haar moeder bleek ernstig ziek. „Mij vertelden ze niets, maar er was ineens uitverkoop in de winkel en ik werd als jongste meisje naar kostschool in de Verenigde Staten gestuurd zodat ik niet zou zien wat er aan de hand was.” Ze vond het verschrikkelijk op de ultra-orthodoxe Amerikaanse kostschool – ze sprak de taal niet, kende er niemand en was in de weekenden de enige die niet naar huis kon. Bovendien hoorde ze tijdens een telefoongesprek met Jeruzalem de ziekenhuismonitoren op de achtergrond piepen, terwijl haar moeder beweerde dat ze „op een familietripje” was. Zodra de vakantie aanbrak, stond Dvori Marmurstein erop terug naar huis te komen. Ze zorgde een jaar lang voor haar steeds zieker wordende moeder. „Mijn broer mocht niet eens met één voet de badkamer in, zo waren de regels”, zegt ze. „Mannen mochten je niet zien – ik weet niet eens of mijn vader mijn moeder ooit naakt gezien heeft.” Toen ze na een jaar toch weer naar school ging, wilde ineens wél iedereen bevriend met haar zijn, zegt ze. „Alleen maar omdat ze hoorden dat ik in het buitenland had gewoond”.

Toen haar moeder na een jarenlang ziekbed overleed, werd Marmurstein, inmiddels bijna zeventien, gekoppeld aan een jongen voor wie ze niets voelde. „Ik moest zo snel mogelijk trouwen, want ze waren bang dat ik anders op het slechte pad raakte”, zegt ze. „Op een dag kwam mijn broer met een foto en wat gegevens. Ze hadden alles al besloten, mijn broer zei op mijn bezwaren dat dit de juiste keuze was en dat we wel aan elkaar zouden wennen.” De huwelijksnacht was „nogal stressvol”, zegt ze. „Ik wist helemaal niets, niet eens dat je in dezelfde kamer moest slapen. Over dat soort dingen werd niet gesproken.”

Toch was ze in eerste instantie blij om het huis uit te gaan en een eigen leven te beginnen. Dat bleek tegen te vallen: haar oudere broers bleven haar leven bepalen, al was ze nu een getrouwde vrouw. Zo moeten getrouwde ultraorthodoxe vrouwen hun hoofd bedekken met een hoofddoek of een pruik, zodat hun echte haar niet zichtbaar is. „Ik wilde een pruik dragen, dat had ik zelfs nog tegen mijn moeder gezegd toen zij op sterven lag”, vertelt ze. „Maar dat vonden mijn broers te frivool omdat het op echt haar lijkt. Mijn broer dreigde mijn hoofd eraf te hakken als ik geen hoofddoek zou dragen.”

Dvori Marmurstein op haar huwelijksdag met haar vader. Foto archief Dvori Marmurstein

Er waren meer redenen waarom ze bij de gemeenschap uit de gratie raakte. Zoals de iPhone die ze ging gebruiken toen ze getrouwd was. „Die telefoon en de pruik waren voor de echtgenoten van mijn vriendinnen genoeg om hen te verbieden met mij te praten. Ze beschouwden me als seculier.”

Zedencomité

Met haar man kwam het contact niet op gang. Toen ze een miskraam kreeg en met veel moeite opnieuw zwanger probeerde te worden, ging hij niet één keer mee naar het ziekenhuis. Ze vroeg een scheiding aan. Die kreeg ze pas na twee jaar; volgens de joodse wet mag een vrouw alleen scheiden met toestemming van de man. Toen ze een relatie met een ander aanging voordat ze de officiële scheidingspapieren had, naar eigen zeggen omdat ze niet besefte dat dat niet mocht, kreeg ze te maken met het lokale zedencomité. „Er zijn jongens die in de gaten houden wat iedereen in de buurt doet”, zegt ze. „Die belden mijn broers en dreigden met geweld. Toen ontplofte de hele boel.”

Het is nu twee jaar geleden dat ze de gemeenschap heeft verlaten. Eruit stappen ging niet zonder slag of stoot. Ze kwam in een meisjesopvang terecht, kreeg een nieuwe relatie die stukliep, raakte aan de drugs en brak haar rug bij een auto-ongeluk. „Niemand van mijn familie is me komen opzoeken in het ziekenhuis, want ze vonden dat ik het had verdiend”, zegt ze. „Omdat ik me niet gedraag zoals God het wil.”

Na het ongeluk zag ze het niet meer zitten. „Maar op mijn meest depressieve moment dacht ik: als je nu geen actie onderneemt, gebeurt het nooit meer. Ik heb me aangekleed, make-up opgedaan en ben de deur uit gegaan.” Ze begon aan een opleiding tot schoonheidsspecialiste en ze nam een baan bij een opticien en een schoenenwinkel.

Ze zitten gewoon te wachten op het moment dat ik val. Zodat ze kunnen zeggen: zie je wel, had maar naar ons geluisterd

Aan de muur hangen landschappen die zij heeft geschilderd. Eigenlijk zou ze naar de kunstacademie willen, maar dat is lastig omdat ze nooit de middelbare school heeft afgemaakt. „Schoonheidsspecialiste is ook leuk”, zegt ze. Het belangrijkste is dat ze nu het eigen leven kan leiden dat ze nooit heeft gehad. „Alles werd altijd voor me beslist.”

‘Blij dat ik van mijn broers af ben’

Het blijft een dagelijks gevecht. „De gevolgen van het ongeluk, mijn familie die er niet is… Soms heb ik het gevoel dat het alleen maar slechter met me gaat. Maar ik ben blij om tegen mijn broers te kunnen zeggen dat ik niet meer onder hun controle sta.”

Met haar familie wil ze voorlopig niets te maken hebben. Alleen haar vader bezoekt ze regelmatig – stiekem. „Hij belt als geen van mijn broers thuis is, en dan sluip ik naar binnen. Hoewel hij gelovig is, vindt hij het niet erg dat ik daar in mijn spijkerbroek kom. Als de kinderen van mijn broer toevallig langslopen, roept hun moeder ze naar binnen. Ik mag niet met mijn neefjes praten: zodra je uit de gemeenschap stapt, word je een soort besmettelijke ziekte.”

Lees ook het interview met Willemijn Dicke. Ze veranderde in tien jaar tijd van fanatiek atheïst in een gelovige: ‘Ik camoufleer mijn geloof niet meer’

Volgens haar heeft de ultraorthodoxe gemeenschap het aan zichzelf te wijten dat zo veel jongeren weglopen. „Ze veroordelen ons al om een te kleurig shirt. Als ze ons niet zouden verstoten maar zouden omarmen, zou iedereen terugkomen.” Haar broer stuurde haar laatst een jiddisch liedje over thuiskomen. Ze ging er niet op in. „Eerst wilde ik heel graag het contact met mijn familie herstellen, nu begrijp ik dat ze me alleen maar in hun wereld willen voegen”, zegt ze. „Ze zitten gewoon te wachten op het moment dat ik val. Zodat ze kunnen zeggen: zie je wel, had maar naar ons geluisterd.”

Ondanks haar nare ervaringen schrijft Dvori Marmurstein het geloof niet definitief af. Bepaalde tradities houdt ze in stand. „Ik houd me niet aan de sjabbat, maar ik doe wel de ochtendgebeden. Ik praat direct met God.” Ze komt „langzaam bij iets dat juist voelt”. Misschien keert ze ooit terug naar de gemeenschap – op haar eigen voorwaarden. „Ik laat me nooit meer manipuleren. Als ik terugkom, zal dat mijn eigen keuze zijn.”

    • Jannie Schipper