DNA van verre familie geeft anonieme doden een naam

Forensisch onderzoek De recherche in Amsterdam en Rotterdam wil via een particuliere DNA-databank onbekende slachtoffers gaan identificeren. In de VS worden op deze manier ook oude moordzaken opgelost.

Geïnspireerd door het succes van Amerikaanse rechercheurs wil de Nederlandse politie nu ook DNA-profielen van ongeïdentificeerde doden gaan uploaden naar de particuliere databank GEDmatch.
Geïnspireerd door het succes van Amerikaanse rechercheurs wil de Nederlandse politie nu ook DNA-profielen van ongeïdentificeerde doden gaan uploaden naar de particuliere databank GEDmatch. Illustratie Sebe Emmelot

Het had weinig gescheeld of hij was nooit gevonden: de onbekende dode, een man met een zwarte baard, en een koptelefoon nog op zijn hoofd. Marineduikers treffen hem aan op 12 april 2017 in de Rotterdamse Rijnhaven. Ze zijn die dag op zoek naar explosieven als onderdeel van een oefening. In plaats daarvan vinden ze een lijk. De man ligt al minstens twee maanden in het water, stelt de politie vast. Hij is onherkenbaar. Zelfs over zijn leeftijd valt weinig met zekerheid te zeggen. Tussen de 25 en 50 jaar, tekent de politie op. Hij is verdronken.

Onderzoek in databanken levert niets op. Er melden zich geen familieleden of vrienden. Een kleine maand later krijgt de man een anoniem graf op de Zuiderbegraafplaats in Rotterdam.

In Nederland liggen honderden mensen op een vergelijkbare wijze begraven. De komende jaren zou een nieuwe onderzoekstechniek de identiteit van deze doden alsnog kunnen prijsgeven.

Geïnspireerd door het succes van Amerikaanse rechercheurs wil de Nederlandse politie nu ook DNA-profielen van ongeïdentificeerde doden gaan uploaden naar de particuliere databank GEDmatch. Dat zeggen René Bergwerff, leider van het coldcaseteam Rotterdam, en Carina van Leeuwen, forensisch rechercheur bij het Amsterdamse coldcaseteam. Het gaat vooralsnog om onbekende slachtoffers die niet door een misdrijf om het leven zijn gekomen, omdat in die gevallen geen sprake is van een strafrechtelijk onderzoek.

GEDmatch is niet de enige of zelfs de grootste particuliere DNA-databank ter wereld, maar het publieke karakter maakt hem zo geschikt voor opsporing. Iedereen kan een profiel uploaden en aan de hand daarvan familieleden identificeren. Databanken als GEDmatch zijn ook geschikt om bijvoorbeeld verdachten in oude moordzaken op te sporen, maar dat ligt juridisch ingewikkelder. Volgens een woordvoerder van het Openbaar Ministerie is het volgens het Nederlandse Wetboek van Strafvordering niet mogelijk om in strafzaken in een particuliere DNA-databank verwantschapsonderzoek uit te voeren. De wet stamt uit de tijd dat particulier DNA-onderzoek nog niet op grote schaal plaatsvond.

Buckskin Girl

In de Verenigde Staten ligt dat anders. Daar worden zaken op deze manier na tientallen jaren alsnog opgelost. Afgelopen zomer werd in Troy, Ohio, de grafsteen van Marcia King onthuld in het bijzijn van haar familie. Bijna 38 jaar wist niemand wie zij was, de politie wist alleen dat de jonge vrouw door wurging om het leven was gekomen. Rechercheurs noemden haar ‘Buckskin Girl’, vanwege de hertenleren jas die ze aanhad toen ze werd gevonden.

Daarin kwam verandering toen Elizabeth Murray van de universiteit van Cincinnati in contact kwam met Colleen Fitzpatrick. Fitzpatrick, een voormalig kernfysicus, staat samen met Margaret Press aan het hoofd van het ‘DNA Doe Project’, een non-profit organisatie die zich toelegt op het oplossen van dit soort zaken. Ze wisten uit een bloedmonster dat door de politie is afgenomen in 1981 voldoende DNA te winnen om een genetisch profiel op te stellen en laden dat in GED-match.com. Ze stuiten daar meteen op een vrouw wier grootouders dezelfde zijn als de overgrootouders van Buckskin Girl. Binnen een paar uur lukte het Press en Fitzpatrick haar naam te achterhalen. Voor de moeder van Marcia King kwam hiermee een einde aan bijna 40 jaar onzekerheid. Ze is al die tijd in hetzelfde huis met hetzelfde telefoonnummer blijven wonen, voor het geval dat.

Bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) jeuken de handen om de nieuwe methode te proberen. Deze maand publiceert Lex Meulenbroek van het NFI samen met Diederik Aben, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, een artikel in het vaktijdschrift Expertise en Recht. „Door de successen lijkt het DNA-verwantschapsonderzoek het recept te zijn voor het oplossen van cold cases”, schrijven de auteurs. „Dat roept de vraag op of het middel niet vaker en uitgebreider toegepast zou moeten worden.”

De twee krijgen bijval van Ate Kloosterman, gepensioneerd DNA-specialist en bijzonder hoogleraar forensische biologie. Kloosterman gelooft in de potentie van de nieuwe techniek. „We staan aan de vooravond van een tweede golf van DNA-techniek die de wereld gaat veranderen. Een techniek waardoor zaken die op geen enkele manier opgelost konden worden, mogelijk toch een oplossing gaan krijgen.”

Volgens Kloosterman is de forensische wereld in april vorig jaar „echt wakker geschud”, toen in de Verenigde Staten de 72-jarige oud-politieman Joseph James DeAngelo werd gearresteerd, in de zaak van de beruchte Golden State Killer. Hij zou tussen 1974 en 1986 tenminste vijftig verkrachtingen en dertien moorden hebben gepleegd in Californië. DeAngelo werd gevonden nadat het genealogische DNA-profiel van een spoor uit een van de zaken van de Golden State Killer was ingevoerd op GEDmatch. Via verre familie en stamboomonderzoek kwam de politie uiteindelijk bij de oud-politieman uit. De rechtszaak loopt nog.

Lees ook: De vrouw die al bloggend jacht maakte op de Golden State Killer

GEDmatch heeft zijn bestaan te danken aan het steeds goedkoper worden van zogeheten ‘SNP microarray’-tests. De techniek bestaat al sinds eind jaren negentig, maar door de dalende prijzen bieden diverse commerciële partijen inmiddels consumentenkitjes aan waarmee je zelf je DNA kunt laten testen. De techniek is fundamenteel anders dan STR-analyse, de methode die door het NFI en andere forensische laboratoria wordt gebruikt in strafzaken. Bij deze techniek wordt een grofmazig profiel van iemands genoom bekeken. Genoeg om een spoor te kunnen matchen met een persoon, maar niet genoeg om verre familieleden te vinden: hoogstens een broer of een neef.

De DNA-databank van het NFI bevat momenteel 300.000 profielen, hoofdzakelijk van veroordeelden. Daarmee kunnen enkel deze personen en hun directe familieleden worden geïdentificeerd. Met verwantschapsonderzoek werden door het NFI recent nog enkele misdaden opgelost, zoals de zaken van Milica van Doorn en Marianne Vaatstra. In die onderzoeken werd door mannen in de omgeving DNA afgestaan, op voorwaarde dat het alléén voor dat onderzoek gebruikt zou worden.

Privacy

Maar de slagkracht van de techniek die wordt gebruikt bij GEDmatch is exponentieel groter. Profielen in die databank kunnen zelfs aan vierdegraads neven en nichten worden gekoppeld. Aan de hand van de huidige 1,2 miljoen profielen kan nu al van meer dan 60 procent van alle Amerikanen van Europese afkomst een eventueel verwantschap worden vastgesteld, zo rekende een groep onderzoekers onlangs voor in tijdschrift Science. Dit aantal groeit met de dag.

De meeste mensen die te vinden zijn via de databank hebben nooit zelf hun DNA-profiel geüpload. Volgens GEDmatch-oprichter Curtis Rogers betekent dat niet dat het gebruik van de databank voor forensische doeleinden een heftige inbreuk op hun privacy is. Volgens hem leunt forensisch stamboomonderzoek op vele openbare bronnen, zoals krantenartikelen. „Moeten die dan ook maar verboden worden omdat ze de privacy schenden?” Het aantal aanmeldingen is volgens Rogers niet gedaald sinds er criminelen met behulp van de databank worden gepakt. „Sterker nog: we zijn benaderd door familieleden van criminelen die hun gegevens op GEDmatch wilden zodat ze families van onbekende slachtoffers uitsluitsel konden bieden.”

Wattenstaafje

Nederlanders zijn te identificeren via GEDmatch. Dat komt deels omdat zij bloedverwanten hebben in de VS, maar ook omdat ze hun DNA naar de site sturen. Ook DNA-specialist Ate Kloosterman deed dat. Het was simpel, vertelt hij: wat wangslijmvlies afnemen met een wattenstaafje en per post opsturen. Vervolgens kon Kloosterman een digitaal DNA-profiel downloaden. Dat voerde hij in bij de databank van GEDmatch, en wat bleek: zo’n tien hits. Een daarvan bleek ook wetenschapper: een Leidse promovendus. Die nam contact op en bleek de familierelatie intussen al te hebben uitgepuzzeld. „Als ik een onbekend lichaam was geweest, of een dader, was ik op deze manier feilloos geïdentificeerd.”

Volgens René Bergwerff van het coldcaseteam van de politie Rotterdam, is er bij ongeïdentificeerde doden „geen enkel beletsel” om particuliere databanken in te zetten. „Je mag ervan uitgaan dat mensen ermee instemmen dat er na hun overlijden alles aan wordt gedaan om hun familie daarvan op de hoogte te stellen.” Lastiger wordt het als het om een verdachte gaat. „Als we een dader vinden via een particuliere databank, is het nog de vraag of het dan houdbaar is als bewijsmateriaal in een eventuele rechtszaak.”

Carina van Leeuwen, forensisch rechercheur bij de Amsterdamse politie, volgt de ontwikkelingen in Amerika al maanden op de voet. Ook zij ziet bij zaken van onbekende slachtoffers mogelijkheden. In Amsterdam liggen er ongeveer zestig zaken met onbekende doden, bij ongeveer een derde is er sprake van een misdrijf. „Het is bij al die zaken ons doel families na tien of twintig jaar te kunnen vertellen dat hun geliefde niet meer leeft. Dat ze eindelijk een echt graf krijgen, met een naam erop. Dat zijn de mooiste zaken om op te lossen.”

Volgens Van Leeuwen zijn er wel twee belangrijke voorwaarden voor het werken met particuliere databanken. Ten eerste moeten er in de Amerikaanse databanken genoeg West-Europese profielen zitten. Het is niet duidelijk hoeveel dat er nu zijn. En de Amsterdamse politie heeft weliswaar DNA-profielen van de meeste onbekende doden, maar die zijn nog niet allemaal geschikt om vergeleken te worden met profielen in een databank als GEDmatch. Om dat te laten gebeuren moet het bronmateriaal van een onbekende dode opnieuw worden onderzocht. Van Leeuwen: „Mensen die zijn overleden kunnen we niet in een potje laten spugen. We hebben een flink stuk lichaamsmateriaal nodig, zoals spierweefsel. En dat wordt niet altijd bewaard.” Volgens DNA-specialist Ate Kloosterman is het „een kwestie van jaren” voordat ook uit botten gemakkelijk voldoende DNA kan worden gewonnen.

Holocaust-overlevenden

Onderzoekster Colleen Fitzpatrick die naast Buckskin Girl al meerdere andere onbekende doden in de VS een naam wist te geven, denkt dat we in Nederland zeker baat kunnen hebben bij haar werkwijze. „We hebben al Holocaust-overlevenden uit Europa in contact kunnen brengen met verloren familie.” Ze werkt nauw samen met de federale autoriteiten, de FBI is volgens haar druk bezig met het ontwikkelen van genealogische expertise. „Over twee jaar hebben ze hier hun eigen mensen voor.”

DNA-expert Lex Meulenbroek denkt dat de ontwikkelingen „een enorme potentie” hebben. Hij wijst erop dat met deze techniek vrijwel alle DNA-sporen kunnen worden geïdentificeerd als 2 procent van de bevolking in een databank zit. „In theorie is het zo dat als er 350.000 Nederlanders zeggen: mijn DNA mag in een databank om misdrijven op te lossen, we met deze techniek bijna elk spoor met voldoende DNA kunnen identificeren via stamboomonderzoek.”

In theorie zouden de 300.000 DNA-monsters van veroordeelden die het NFI heeft verzameld opnieuw getest kunnen worden met SNP microarray-technologie, waardoor er in één klap een databank zou ontstaan met min of meer landelijke dekking. De vraag is volgens het duo of dat juridisch haalbaar is, bovendien zou dit tientallen miljoenen kosten. Daarnaast zijn alle reguliere forensische databanken gebaseerd op de huidige STR-technologie.

Toch vindt Meulenbroek dat er een maatschappelijke discussie moet komen. „Technisch kan het. De andere kant opkijken kan niet meer, want in Amerika wordt via deze techniek de ene na de andere zaak opgelost. De vraag moet zijn: willen we dit als samenleving? En zo ja, hoe gaan we het dan in goede banen leiden?”

Op de Zuiderbegraafplaats in Rotterdam klinkt het geluid van voorbijrazende auto’s. Er is een speciaal hoekje voor onbekende doden ingericht. De graven worden enkel gemarkeerd door een klein wit bordje met een getal. Als het aan René Bergwerff van het coldcaseteam ligt, prijkt er op het graf van de onbekende dode uit de Rijnhaven spoedig een naam. Het kan zomaar zijn dat ergens ter wereld een familie al bijna twee jaar de vraag stelt waar hun broer of zoon is. Of hij nog leeft, wat er is gebeurd. De antwoorden op die vragen zijn misschien wel dichterbij dan ooit.

Tekening Kamagurka

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.